Classificatie van kleurmutaties

discussie met Martin en Steiner

Aanleiding voor deze pagina was de discussie van Steiner met Rensch, in 1932, over de vraag of de albino en de lutino beiden gezien moesten worden als vormen van albinisme. Deze discussie blijkt heel actueel te zijn. Ik ontdekte namelijk, dat dezelfde vraag aan de orde was in de discussie tussen Martin en Buckley in 2002, zeventig jaar later. Deze discussies brachten heel wat interessante kwesties naar voren, die samenhangen met classificatie en naamgeving van mutaties.

Classificatie

Een classificatie brengt ordening in een onoverzichtelijke hoeveelheid aan feiten met als doel overzicht te verkrijgen. Een heel duidelijk voorbeeld is de explosieve toename van de hoeveelheid nieuwe kleur variëteiten en nieuwe namen in verschillende vogelsoorten. De advertentie pagina's van vogelbladen staan vol met aanbiedingen van mutaties. Voor een buitenstaander, die voor het eerst een vogelmarkt bezoekt, is deze veelheid aan kleuren en namen overweldigend. Oriëntatie is moeilijk. Een goede indeling en een duidelijke naamgeving is daarbij een zinvol hulpmiddel.

Na 1960 is er een golf van nieuwe kleuren ontstaan bij de parkietensoorten. Deze ontwikkeling is bij de kanarie en de grasparkiet al veel eerder in gang gezet. Als de liefhebber een gerichte kweek wil opzetten vereist dit een zorgvuldige keuze. Het eerste probleem is het ontbreken van overzicht over mutaties. Het tweede probleem is de naamgeving van de variëteiten. De internationalisering van de hobbykweek maakt dat er nog een derde probleem bijkomt. Als variëteiten ontstaan krijgen ze hun naam in het land van herkomst, een regionale naam, die wordt vertaald. Het is de vraag is of de hobby kweek er mee is gediend voortaan alle variëteiten Engelse namen te geven. Hiermee worden kwekers, die de Engelse taal niet beheersen buiten spel gezet.

Een classificatie systeem is opgebouwd uit categorieën en subcategorieën. Het onderwerp en elk van de categorieën van het classificatie systeem moet precies worden omschreven. Een heldere naamgeving is dus heel belangrijk. Samen vormen de categorieën een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid.
De vraag is nu hoe het onderwerp kleurmutaties bij vogels moet worden afgebakend. Vaak is men nogal slordig in het gebruik van de term mutatie. Het moet duidelijk zijn of men de verschillende kleurvariëteiten van vogelsoorten wil indelen of de mutatiefactoren, of beiden.

Kenmerken van een classificatie systeem

Om het gestelde doel, de ordening, te bereiken vindt accentuering en reductie plaats. Dit wil zeggen dat er op bepaalde aspecten accent wordt gelegd en andere aspecten worden verwaarloosd afhankelijk van het onderwerp. Als we het over kleurverandering in het verenpak en ogen hebben, wordt het formaat van de vogel verwaarloosd. Niet omdat dit niet belangrijk zou zijn, maar omdat het niet bij het onderwerp past.

Eisen aan een classificatie systeem te stellen

Het onderwerp bepaalt de indeling in categorieën en de afgrenzing tussen de categorieën. Elke categorie moet een duidelijke definitie hebben. Dit moet in de naam tot uiting komen. Er mag geen overlap zijn tussen de categorieën. Anders kan men de feiten niet zinvol indelen.

Indeling van de lutino en albino

Probleemstelling: Een van de problemen in de discussie tussen Steiner en Rensch was de indeling van de lutino en de albino. De vraag was of de lutino, net als de albino, ook een vorm van albinisme is.

Albinisme: Het begrip albinisme wordt al meer dan honderd jaar gebruikt. Eerst voor de mens, dan voor zoogdieren en vogels. Totaal albinisme wordt door Steiner omschreven als: totaal verlies van melanine pigment. Dit komt voor bij de mens. De albino met zijn witte haar en rode ogen is een opvallende verschijning. De rode kleur komt voort uit het feit, dat door het ontbreken van pigment de retina doorschijnend wordt en de kleur van het bloed bepalend wordt voor de kleur. Bij alle zoogdieren komt albinisme voor. Ieder kent de witte konijnen en cavia's met rode ogen.

Albinisme bij vogels: Behalve albino zoogdieren zijn er ook albino vogels. Bruine vogels hebben alleen melanine pigmenten. Een totaalverlies van melanine zien we bij de albino merel.Veelkleurige vogels hebben ook lipochroom pigmenten. Lipos ((Grieks)=vet. Chromos (Latijn) = kleur. Lipochroom pigmenten worden ook wel vetkleurstoffen genoemd omdat vetmoleculen de dragers zijn die bij het transport van kleurpigment een rol spelen. Andere benamingen voor lipochroom pigmenten zijn carotenoïde- of psittacine pigmenten.
Bij bepaalde vogelsoorten, die behalve melanine pigment ook geel pigment bezitten, komt bij totaal melanineverlies een lutino kleurvariëteit tot stand. We vinden lutino’s bij de splendid, de Bourke’s parkiet, de roodrug en vele andere parkieten soorten.

Discussie tussen Steiner en Rensch

Dr. Hans Steiner discussieerde met Rensch in zijn proefschrift , dat ging over mutaties van de grasparkiet (1932). Rensch beantwoordde de vraag of de lutino ook een vorm van albinisme is, negatief. Hij ontwierp zelfs een nieuwe categorie. Hij zag het ontstaan van een lutino als een splitsing van twee pigmenten: het melanine en het geel pigment. De lutino ontstaat als het melanine totaal uitvalt en het geel lipochroom pigment onaangetast blijft. Dan treedt er een splitsing op tussen twee pigmenten. Hij noemde deze categorie: schizo-chroisme (schizo (Grieks)=splitsing. Splitsing van kleurpigmenten. Dit zien we bij de lutino grasparkiet. Ook het omgekeerde komt voor. Bij de blauwe grasparkiet valt het gele pigment totaal uit, terwijl het melanine onaangetast blijft. Volgens Rensch hoort dit in deze zelfde categorie thuis.

Steiner was bezig met de ontwikkeling van een classificatie systeem. Hij deelde mutaties in in drie categorieën: Melanine (M), lipochroom (L) en structuur (S) veranderingen. Steiner had een goede reden om het niet met Rensch eens te zijn. Het gaat namelijk om dezelfde melanine mutatie, die totaal verlies van melanine pigment veroorzaakt. Totaal verlies van melanine is zowel op de albino merel als op de lutino grasparkiet van toepassing. Beiden zijn dus een vorm van albinisme. De naam albino moet volgens Steiner echter beperkt blijven tot de mutatie bij bruine vogels. Deze hebben alleen melanine pigmenten. Een witte grasparkiet met rode ogen is geen albino. Het is een kruisingsproduct, een hybride, die ontstaat door kruising van de blauwe en een gele grasparkiet.
Als we de schizo-chroisme beoordelen vanuit de eisen, die aan een categorie systeem moeten worden gesteld voldoet de categorie niet. De blauwe grasparkiet wordt veroorzaakt door totaal verlies van geel pigment. De lutino ontstaat door totaal verlies van melanine pigment. De lutino is het gevolg van een melanine mutatie. De blauwe grasparkiet is het gevolg van een psittacine mutatie. Beiden horen niet in dezelfde categorie thuis. Als een zelfde melanine stoornis de ene keer kan worden ingedeeld bij albinisme en de andere keer bij schizo-chroisme betekent dit dat de categorieën niet goed zijn afgegrensd. Ook op deze grond moet de categorie schizo-chroisme worden afgewezen.

Discussie tussen Martin en Buckley

dr. Terry Martin discussieert, in zijn informatieve boek “ Colour mutations and genetics in Parrots” (2002), met Paul A. Buckley over albinisme en de indeling van de lutino.
Buckley gaf in zijn artikel over genetica en pigmentatie een andere omschrijving van albinisme dan gebruikelijk. Onder albinisme wordt verstaan het totaal verlies van melanine. Buckley omschreef albinisme als het abnormale, totale verlies van alle pigmenten Dit heeft een totaal witte vogel tot resultaat met rode ogen, lichte snavel, poten en nagels. Het merkwaardige is dat de omschrijving van albinisme hier werd verruimd, tot een totaal verlies van melanine en carotenoïde pigmenten. Buckley deed dit waarschijnlijk omdat men bij alle vogelsoorten volledig witte vogels met rode ogen tegen kan komen, bij kanaries, bij tropische vogels, die behalve melanine ook carotenoide bezitten. Vogels met rode ogen en een totaal verlies aan pigment in het verenpak noemt hij albino. Door deze verandering van de omschrijving van albinisme kon hij alle albino’s in dezelfde categorie onderbrengen.
Een lutino heeft het geel pigment behouden. De lutino paste dus niet in de nieuwe definitie van albinisme. Buckley gebruikte voor de indeling van de lutino en de blauwe grasparkiet de categorie: melano-carotenoid schizo-chroisme. Eenzelfde categorie dus als Rensch, maar toegespitst op splitsing van melanine en carotenoïde pigmenten.

Martin is het niet met Buckley eens. De lutino kan niet worden ingedeeld bij melano-carotenoid schizo-chroisme zoals Buckley deed. Hij zegt, quote: “De lutino is het equivalent van het albino zoogdier”. (Pg 220) Hierbij moeten we in het oog houden dat Martin de namen albino en lutino gebruikt als namen voor mutatie factoren. We moeten zijn standpunt dus eigenlijk lezen als: Wat de albino mutatiefactor is bij de zoogdieren is de lutino mutatiefactor bij parkieten.

Verschil tussen Martin en Steiner

Martin gebruikt hetzelfde argument als Steiner. Bij de lutino en de albino gaat het om een totaal verlies aan melanine. Er zijn echter grote verschillen te constateren tussen Steiner en Martin in de consequenties die worden getrokken. Steiner gebruikt de discussie met Rensch om zijn classificatie te verhelderen. De analyse van het begrip albinisme gebruikt hij om een indeling van alle melanine functiestoornissen te ontwerpen. De discussie met Rensch over schizo chroisme gebruikt Steiner om een nieuwe categorie schizo melanisme te maken voor splitsing tussen eumelanine en phaeomelanine (M-categorie) en een nieuwe categorie voor splitsing tussen rood en geel pigment, schizo-lipo-chromatisme (L categorie). Deze nieuwe categorieën zijn wel bruikbaar omdat hierbij geen overlap ontstaat tussen de categorie van melanine stoornissen en de categore van lipochroom stoornissen. Hierdoor lost hij het probleem op van de overlappende categorie van Rensch. De categorie: schizo melanisme is erg zinvol voor de splitsing van phaeo melanine en eumelanine en de verklaring van de phaeo en de isabel kleurvariëteit. De categorie schizo-lipo-chromatisme is heel zinvol voor het verlies van geel of rood pigment bij vogels die een menging van deze twee pigmenten bezitten.

De mening van Martin is dat alle categorieën, die samenhangen met het begrip albinisme, zoals total albinism, incomplete albinism, partial albinism, etc. in feite onbruikbaar zijn voor zijn doel, het indelen van mutaties van parkieten. Hij vindt al deze classificaties “artificial and flawed” In feite, zegt hij, dat alle categorieën, die onderdeel zijn van het begrip albinisme, gewijzigd moeten worden. Met dit oordeel staat hij lijnrecht tegenover Steiner.

Martin wisselt het begrip albinisme in voor de term lutino. Dit blijkt aanzienlijke consequenties te hebben. Lutino is de naam van een kleurvariëteit, die uitsluitend wordt gebruikt voor parkieten en andere groene vogels, die behalve melanine ook geel pigment bezitten. Vogels die geen geel pigment hebben vallen hierbuiten. Als men deze kleurnaam gebruikt voor aanduiding van een mutatiefactor, zoals Martin doet, geldt hiervoor hetzelfde. Dit wil zeggen dat hij het toepassingsgebied van zijn overzicht van mutatie factoren beperkt. Hij ontwerpt geen overzicht van mutaties van alle vogelsoorten, maar beperkt zich tot parkietensoorten. Dit is jammer. Een van de belangrijke doelstellingen van classificatie van mutatiefactoren is dat de overeenkomsten tussen mutaties in allerlei vogelsoorten duidelijk worden.

De termen lutino en albinisme zijn niet gelijkwaardig en niet inwisselbaar. Lutino is een factor en albinisme is een klasse van factoren. Dit wil zeggen dat de term lutino niet kan worden gebruikt voor indeling van verschillende mutaties. Het is een van de factoren, niet een naam voor een groep factoren. De beschrijving van alle mutatiefactoren van parkieten soorten door Martin levert hierdoor geen classificatie op maar een survey.

De term albinisme wordt door Martin niet verworpen maar voor zijn survey als onbruikbaar ter zijde gesteld. Ook de term albino wordt vermeden. De witte parkiet met rode ogen wordt blauw lutino genoemd, een combinatie van de blauw factor en de lutino factor.

Steiner ontwierp een classificatie voor mutaties voor alle vogelsoorten. Bruine vogels, die alleen melanine pigmenten bezitten, en veelkleurige vogels, die behalve melanine pigmenten ook lipochroom pigmenten bezitten. Steiner ontwierp een classificatie op basis van functieveranderingen van pigmentproductie en veranderingen in de veerstructuur. Het accent wordt gelegd niet op kleurvariëteiten, niet op mutatiefactoren, maar op functieverandering van pigmentproductie en veranderingen in de veerstructuur. De functie veranderingen worden veroorzaakt door mutatie factoren en hebben gevolgen voor de kleur van het verenpak. Hierdoor is de classificatie van Steiner geschikt voor de indeling van mutatie factoren maar ook voor de indeling van kleurvariëteiten.

Albinisme en de categorieën die hiermee samenhangen spelen een grote rol als indelings categorie voor productie storingen van melanine pigmenten. Steiner maakt een duidelijk verschil tussen albinisme en albino. Albinisme is de categorie voor alle melanine stoornissen. Albino is een kleurvariëteit, die uitsluitend bij vogels zonder lipochroom pigment voorkomt.

Mutatiefactoren of kleurvarietieten,

Martin: Uit de discussie tussen Martin met Buckley blijkt dat beiden een geheel andere oriëntatie hebben op het onderwerp van classificatie. Martin zegt het duidelijk: “De enige systematische manier om mutaties een logische naam te geven is de genetica te gebruiken, onafhankelijk van de uiterlijke verschijningsvorm van de vogel” (pg. 24). Dit standpunt is ook af te leiden uit de kritiek, die hij heeft op het gebruik van de naam albino. “Er bestaat geen apart albino gen voor parkietachtigen. Om een albino te verkrijgen is een “blue” gen nodig om het geel pigment te verwijderen en een “lutino” gen voor verlies van het melanine. Samen creëren ze een albino.” (pg 51). Martin legt duidelijk accent op inventarisatie van mutatiefactoren. Bij Martin ontstaat een sterke reductie van het onderwerp van classificatie. Hierdoor worden de verschillen, die er in de kleurvariëteiten in verschillende vogelsoorten voorkomen, verwaarloosd.

Buckley heeft een geheel andere oriëntatie. Hij beschrijft abnormaliteiten in de pigmentatie. Hij is voornamelijk beschrijvend bezig. Buckley is gericht op de kleurvariëteiten. Dit blijkt ook uit de verruiming van de omschrijving van albinisme. Indeling van alle vogels met een compleet pigmentverlies, onafhankelijk van de veroorzakende factoren. Ook hier ontstaat reductie van het onderwerp.

Conclusie: De conclusie is dat zowel Martin als Buckley een eenzijdige oriëntatie hebben op het onderwerp van classificatie. Buckley legt accent op de kleurvariëteit. Martin legt accent op de mutatiefactor. Buckley verwaarloost de mutatie factoren. Martin verwaarloost de kleurvariëteiten. Dit neemt niet weg dat ik bewondering ik heb voor het omvangrijke werk en specialistische werk van dr.Marin om alle mutatie van in parkieten soorten te inventariseren en met elkaar te vergelijken en te beoordelen. Mijn kritiek is dan ook vooral gericht op de verwaarlozing van kleurvariëteiten en het gebruik van kleurnamen voor mutatiefactoren. Dit wil ik nader toelichten. Een classificatie waarin beide aspecten worden gehonoreerd zou veel meer recht doen aan de complexiteit van het onderwerp.

Verhouding tussen kleurvariëteit en mutatiefactor

Om zicht te krijgen op de ongelijksoortigheid van beide begrippen is een omschrijving gewenst. Een mutatiefactor is een gen dat is veranderd door mutatie. Een mutatiefactor is onderdeel van de genetische make-up, het totaal van alle erfelijke factoren van de vogelsoort. De mutatiefactor is onderdeel van het genotype. Een kleurvariëteit is het veranderde uiterlijk van de vogel. Een kleurvariëteit wordt het phaenotype genoemd. Een mutatie factor is de oorzaak, een kleurvariëteit is het gevolg van veranderingen in de kleurelementen.

De verhouding tussen kleurvariëteit en mutatiefactor is aan te duiden door de volgende regel: Eenzelfde mutatiefactor kan verschillende kleurvariëteiten ten gevolg hebben. Dit wordt perfect gedemonstreerd door het totaal verlies aan melanine. Bij bruine vogels is het resultaat een albino variëteit. Bij veel groene vogels komt een een lutino variëteit voor. De reden hiervoor is duidelijk. De erfelijke bepaalde kleur elementen bij de bruine vogels beperken zich tot melanine pigmenten. De erfelijke bepaalde kleurelementen van groene vogels zijn melanine, psittacine en veerstructuur. De mutatie factor is dezelfde. De invloed van de mutatiefactor altijd wordt medebepaald door de overige erfelijke factoren, die de vogel bezit.

Buckley verwaarloost de verschillen in erfelijke factoren tussen vogelsoorten. Hierdoor ontstaat zijn opvatting dat de albino een voorbeeld is van albinisme, maar de lutino niet. Zijn oriëntatie is eenzijdig gericht op kleurvariëteiten. Hij houdt geen rekening met de verhouding tussen kleurvariëteit en mutatiefactor, zoals deze in bovenstaande regel wordt aangeduid.

Martin verwaarloost bewust de verschillen in uiterlijk tussen vogelsoorten. In het hoofdstuk over naamgeving (pg 24) zegt hij dat mutaties een naam moeten krijgen ongeacht het uiterlijk van de vogel. Hij houdt geen rekening met bovenstaaande regel. Zijn oriëntatie is eenzijdig en leidt tot verwaarlozing van de erfelijke verschillen tussen vogelsoorten, zoals die tot uitdrukking komen in de grote verschillen tussen kleurvariëteiten.

Dit blijkt uit enkele voorbeelden.

Blauw is een kleurvariëteit. In de naamgeving door Martin is blauw de naam van een mutatiefactor. De valkparkiet heeft geen blauwstructuur in de veerbouw. Er kan dus geen blauwe kleurvariëteit ontstaan. Het totaal verlies van psittacine geeft een witkop valkparkiet met donkergrijze rug. Dit wordt blauwmutatie genoemd. De genetische make-up van de valkparkiet is anders dan bij de groene grasparkiet. In de naamgeving wordt het erfelijke bepaalde verschil in kleurvariëteit tussen vogelsoorten verwaarloosd.

Een rose kakatoe heeft rood pigment. Geen geel pigment. Het totaal verlies aan melanine bij alle vogels wordt lutino genoemd. Dus ook bij de rubino kleurvariëteit van de rose kakatoe. De erfelijke aanleg van de rose kakatoe speelt een duidelijke rol in de tot standkoming van de kleurvariëteit. De rose kakatoe heeft geen geel pigment. Valt behalve het het melanine pigment ook het rood pigment weg dan wordt de combinatie van twee factoren blauw lutino genoemd. Een naam met een innerlijke tegenstelling, een contradictio in terminus. De Galah heeft een andere genetisch make-up dan de groene grasparkiet. Dit aspect wordt verwaarloosd.

Naamgeving van kleurvarieteiten en mutatiefactoren

Conclusies

Er zijn diverse redenen aan te geven om kleurvariëteiten en mutatiefactoren verschillende namen te geven.

1. Kleurvariëteit en mutatiefactor zijn twee verschillende aspecten van het zelfde classificatie onderwerp. Een classificatie dient beide aspecten te omvatten. Door een eenzijdige oriëntatie op een van deze aspecten ontstaat een te grote reductie.

2. De onderlinge verhouding tussen kleurvariëteit en mutatiefactor toont aan dat er is geen 1-1-correspondentie is tussen beiden. Daarom kunnen ze niet dezelfde naam hebben.

3. De oorzaken van kleurveranderingen kunnen nooit met een kleurnaam worden aangeduid. De oorzaken zijn gelegen in verstoring van pigment productie en verandering van veerstructuur. De naam van een mutatiefactor dient een verklaring te geven. De opmerking dat een blauwe variëteit door een blauwfactor wordt veroorzaakt , die is te vinden op een blauw locus, is nietszeggend De naam van een kleurvariëteit dient te verwijzen naar het verschil in uiterlijk met de wildvorm en met andere kleurvariëteten van dezelfde vogelsoort.

4. Kleurnamen zijn niet geschikt als namen voor categorieën en indeling in groepen. Kleurnamen kunnen nooit de omschrijving dekken van erfelijke veranderingen, die plaats vonden.

5. Een goede classificatie kan inzicht geven in de overeenkomsten van mutaties in verschillende vogelsoorten en de samenhang tussen de twee aspecten, de kleurvariëteit en de mutatiefactor.

6. Kleurnamen gebruiken voor mutatiefactoren wekt verwarring bij kwekers, omdat vele van deze namen reeds decennia worden gebruikt voor kleurvariëteiten. Kleurnamen wekken verkeerde verwachtingen bij beginners, die zich niet hebben verdiept in de achtergronden.Kortom het gebruik van kleurnamen voor mutatiefactoren kan communicatie problemen veroorzaken.

Samenvatting: Om het onderwerp van classificatie recht te doen moeten beide aspecten van het onderwerp worden gehonoreerd. Beiden kunnen worden ingedeeld in eenzelfde classificatie, waarin met beide aspecten rekening wordt gehouden. Beiden moeten aparte namen hebben. De naam van de kleurvarieteiten zijn beschrijvende namen die verwijzen naar het uiterlijk. De naam van mutatiefactoren zijn verklarende namen, die verwijzen naar veranderingen of stoornissen in de formatie van pigmenten en veranderingen in de veerbouw. De namen van mutatiefactoren kunnen ontleend worden aan de vaktaal, die Engels geörienteerd is. Op deze wijze vormt internationale communicatie over mutaties geen probleem. De namen van kleurvariëteiten kunnen eenvoudig worden vertaald. Ook de communicatie tussen wetenschap, die verklaringen zoekt en practijk, die beschrijvingen levert is gediend met een dubbele naamgeving.


Geraadpleegde literatuur :
Het kweken van kanaries, F.H.M.Kop, 1986
Genetics for budgerigar breeders, T.G.Taylor and C.Warner, 1961
Handleiding voor de grasparkieten kweker, W.Beckmann, 1966
Neophema’s en hun kleurmutaties, H.P.M. Zoomer, 1987
A guide to colour mutations and genetics in parrots, T.Martin, 2002
Genetics, art. P.A. Buckley in Diseases of cages and aviary birds, M.L.Petrak, editor,1969
Vererbungsstudien am Wellensittich, H.Steiner, 1932

index menu

Copyright 2005, Bob Fregeres

E-mail: fregeres@bourkes-parakeet.nl