Analyse van veerkleur en variëteiten

Rode en gele veren

Lutino en rubino variëteiten

Twee verschillende manieren om een variëteit te analyseren

Er zijn twee verschillende manieren om een variëteit te analyseren. Analyse van de gemuteerde erfelijke factor ( 1) en de analyse van de veranderde kleuren van de variëteit (2). De resultaten worden gebruikt voor de naamgeving van de variëteit. (3).

1. De eerste aanpak is gericht op de kennis over de mutatie factor. De wetenschappelijke achtergrond wordt gevormd door genetisch onderzoek..

2. De tweede aanpak is gericht op de beschrijving van het nieuwe uiterlijk van de variëteit, de vergelijking van de variëteit met andere variëteiten en de originele wildvorm. De wetenschappelijke achtergrond wordt gevormd door weefsel studies, histologisch onderzoek.

Genetica en histologie zijn beiden succesvolle onderdelen van de biologie. Genetische research dient om de verklaring te vinden voor de oorzaken van een nieuwe variëteit.. Histologisch onderzoek is de wetenschap van weefsel studies. Deze vorm van onderzoek wordt gebruikt voor de beschrijving en de verklaring van kleurafwijkingen van het verenpak. De twee verschillende onderzoeksgebieden vullen elkaar aan. De mutatie kweker moet zowel de nieuwe kleurkenmerken als de verervingswijze van de nieuwe variëteit kennen. De praktijk van de kweek van variëteiten kan veel voordeel hebben van de onderzoeksresultaten van studies in deze beide gebieden.

3. Naamgeving is gebaseerd op beide onderzoeksgebieden. Elke vogelsoort heeft twee namen, een gewone naam en een wetenschappelijke naam. Elke variëteit van een vogelsoort heeft ook twee namen. We krijgen de gewone naam door de kenmerkende kleurverandering toe te voegen aan de gewone naam van de soort. De gewone naam luidt: Lutino Bourke's parkiet.We verkrijgen de wetenschappelijke naam als we aan de wetenschappelijke naam van de vogelsoort de naam van de mutatiefactor tussen haakjes toevoegen. Bijvoorbeeld: Neopsephotus bourkii (M-t+).

Voorbeeld van de analyse van een variëteit

Elke variëteit van een vogelsoort heeft een veranderd uiterlijk (phenotype) en een veranderde erfelijke aanleg (genotype)

ad 1. De eerste aanpak betekent: Onderzoek naar de oorzaak van de variëtet. De mutatiefactor, de vererving van de factor, de plaats van de factor op de chromosomen, enz. Deze aanpak is gericht op de verandering van het genotype.

Voorbeeld: Het ontstaan van de lutino Bourke door mutatie. Een mutatiefactor (M-t+) veroorzaakt een totaal verlies aan eumelanine in het verenpak en de ogen van de Bourke (M=melanine). Productie van umelanine hangt af van de activiteit van tyrosine. Onderzoek wees uit dat de oorzaak is gelegen in de te grote activiteit van de tyrosine.(t+) De mutatiefactor vererft geslachtsgebonden. De mutatie vond plaats in 1992 in Nederland. Deze geslachtsgebonden factor maakte de ontwikkeling van de lutino en rubino variëteiten mogelijk in de jaren die daar op volgden.

Opmerking: Variëteiten worden veroorzaakt door een mutatiefactor. De kleurverandering is niet alleen toe te schrijven aan die factor maar berust ook op alle andere kleurelementen van de soort.. Ook door combinatie van mutatiefactoren kunnen weer nieuwe variëteiten ontstaan. Elke variëteit heeft dus een eigen genetische make-up, het nieuwe genotype..

ad 2. De tweede aanpak betekent: Analyse van het veranderde uiterlijk, de verandering van de veerstructuur en de productie, het transport en de afzetting van pigmenten in de veren. Deze aanpak is gericht op de analyse van het phenotype van de variëteit.

Voorbeeld: De beschrijving van de lutino variëteit. Het totale verlies van eumelanine betekent dat er een opvallende kleurverandering is van het verenpak. De aanwezigheid van geel en rood pigment domineert nu de kleur in plaats van het bruine eumelanine. Omdat het eumelanine ontbreekt kan de blauwstructuur niet tot expressie komen. Een blauwe veer wordt wit. Veeronderzoek leidde tot de conclusie dat de cortex van de veerbaarden die gevuld was met melanine nu leeg was (witte kleur) of gevuld met rood of geel pigment. waardoor gele of rode veren ontstaan.Deze aanpak richt zich op het nieuwe phenotype.

Opmerking:

In deze aanpak is het startpunt de histologie, de studie van weefsels,van de huid, de hoorndelen. de veren en de ogen..Histologie is een belangrijke werkwijze in de biologie.Histologie werkt met dunne weefselplakjes die van weefsel worden gemaakt met een microtone Deze dunne plakjes worden bestudeerd met behulp van de electronen microscoop.

ad 3: Twee soorten van naamgeving van variëteiten

Het spreekt vanzelf dat de resultaten van beide werkwijzen gebruikt kunnen worden t.b.v. de naamgeving. Beide werkwijzen leveren een typering op van de variëteit,

Benoeming van de variëteit naar de mutatiefactor. De genetische verandering betreft de totale uitval van eumelanine. Het is dus een M-factor (melanine factor) Deze behoort bij de groep melanine stoornissen. De eumelanine uitval die wordt veroorzaakt door een te grote activiteit van het enzym tyrosine. tyr+ ( door mij afgekort tot t+) De naam Neopsephotus bourkii (M-t+) bestaat uit de wetenschappelijke naam voor de Bourke's parkiet, gevolgd door de code M-t+.Op deze wijze ontstaat duidelijkheid omtrent de erfelijke verandering van deze vogelsoort.

Benoeming van de variëteit naar de kenmerkende kleur. Het kenmerkende veerveld van de meeste Bourke's mutaties is de rug. De rugkleur van de variëteit uit het voorbeeld is geel. De naam Lutino is afgeleid van de naam Lutein (geel). De gewone naam van deze variëteit is nu: Lutino Bourke's parkiet. Deze naam komt overeen met de typering van het veranderde uiterlijk

Opmerking: Het is mogelijk dat de cortex niet wordt gevuld met geel pigment maar met rood pigment. Het ken,merkende veerveld is ook hier de rug. De gewone naam wordt nu: Rubino. (Ruby betekent rood) Dit komt overeen met de karakteristieke kleur en specificeert het nieuwe uiterlijk van de Bourke.

Opmerking: Hier wordt een verschil duidelijk tussen beide werkwijzen. Bij de benoeming via de mutatiefactor krijgen de beide variëteiten dezelfde naam, nl. lutino. Bij benoeming via de kenmerkende kleur wordt duidelijk dat de laatste werkwijze het mogelijk maakt beide variëteiten de lutino en de rubino adequaat te benoemen. Dit is vooral voor de kweker van belang maar zeker ook bij inkoop en verkoop. Bovendien kan de eerste werkwijze leiden tot verwaarlozing van vragen die de relatie tussen beide pigmenten betreffen.


Verandering van kleur elementen van de wildvorm

als uitgangspunt

Deze en volgende bladzijden worden gewijd aan de tweede aanpak en geven informatie over verschillen in veerkleur en veerstructuur, gebaseerd op onderzoek in histologische studies.

De wildkleur Bourke's parkiet heeft verschillende kleurelementen: Eumelanine pigment, rood en geel psittacine pigment en veren met blauwstructuur in enkele veervelden. De melanine van de Bourke is bruin eumelanine. De Bourke is hiermee de enige uitzondering op de regel dat alle parkietensoorten zwart melanine pigment bezitten.

De tweede aanpak start met de beschrijving, de tot stand koming en de benaming van kleuren. Het startpunt is het uiterlijk van de vogelsoort en nieuwe uiterlijk van de soort zoals dit tot uiting komt in de variëteiten.

De wetenschappelijke achtergrond wordt gevormd door weefselonderzoek. Studie van veen, veerstructuur, veerkleur en veerontwikkeling, gebaseerd op de histologie, werd gedaan door Steiner, Auber, Beckmann en vele anderen. Hun werk gaf veel informatie over de ontwikkeling van veerkleur. Het werk Steiner in 1935 en het latere werk van Auber uit 1941 vormde de basis van beschrijving van alle variëteiten van de grasparkiet. Auber koos welbewust niet voor genetische studie maar gaf de voorkeur aan methoden van de histologie. Het was een uitgebreid en veeleisend werk waarbij hij honderden tekeningen maakte van stukjes huid en veerweefsel van veren in verschillende ontwikkelings fasen.


Dit is een voorbeeld van een dwarsdoorsnede van een groene veer van de wildkleur grasparkiet werd gemaakt door Auber (1941) met een vergroting van 1300 keer Het betreft een groene veer in ontwikkkeling. De begrenzing van de cortex, de indeling in cellen en de groepeing van de melanine korrels zijn reeds duidelijk te zien.


Om te begrijpen hoe kleur ontstaat door de veerstructuur en pigmenten en hoe verandering van de veerkleur bij variëteiten tot stand komt bij variëteiten kunnen we gebruik maken van sterk vereenvoudigde tekeningen. We starten met enkele technische termen.

Er zijn twee typen veren. Veren van het algemene type en veren van het structurele type. Het verschil tussen beiden is de aanwezigheid van de blauwstructuur. De schets geeft het verschil duidelijk aan.

Veren van het gewone type hebben slechts pigmenten als kleurelementen. Veren van het structurele type hebben pigmenten en blauwstructuur. De combinatie van veer pigmenten en veerstructuur geven de geweldige kleurvariatie die we bij parkieten zien. De pigmenten zijn in de tekeningen niet weergegeven. Het betreft dus twee witte veren.


Analyse van veerbaarden van veren van het algemene type van de wildkleur Bourke vergeleken met drie verschillend gekleurde veren: wit, rood en geel.

Opmerking: Er zijn twee dingen die ons interesseren, de kleur van een enkele veer die genomen is uit een kenmerkend veerveld en de beschrijving van het verenpak van een variëteit als geheel. .Ik ben bezig deze aanpak voor alle variëteiten van de Bourke te beschrijven. De lutino en de rubino zijn de eerste voorbeelden. De wildvorm is het uitgangspunt.

De enkele veer

Vergelijking van een witte, eeen gele en een rode veer vergeleken met de originele bruine veer van de wildvorm va het algemene type

Dit zijn vereenvoudigde tekeningen van de dwarsdoorsnede van een veerbaard genomen van het rugdek van de oorspronkelijke Bourke's parkiet vegeleken met een witte, een gele en een rode veer.Drie pigmenten spelen een rol in het verenpak van de Bourke. De originele kleur was bruin. In de cortex van een rugveer was geen ander pigment te vinden dan bruin eumelanine.(Beckmann, 1972) Bovendien was er bruin pigment in de medulla.De eumelanine korrels waren at random verspreid in de medulla. De kleur van de veer was diep bruin.Het totale verlies van het eumelanine gaf de mogelijkheid voor andere kleuring van de cortxx.In de medulla kunnen geen rode en gele pigmenten voorkomen.

Kleurontwikkeling in nieuwe variëteiten, rood en geel

In 1992 deed zich een mutatie voor. Deze mutatie veroorzaakte een totaal verlies aan eumelanine, in de cortex en medulla van iedere veer. Ook in de baardjes en de haakjes verdween het eumelaniine.De afzetting van andere pigmenten, het gele en rode psittacine konden worden afgezet in de cortex. En dit gebeurde in de verdere ontwikkeling van de mutatie. De eerste nieuwe variëteit was de lutino. Combinatie van de lutino met andere variëteiten, die een grote hoeveelheid rood pigment in het verenpak hadden, bracht de tweede variëteit, de rubino.

Uitbreiding van geel en rood pigment door selectie

Historie: Wat gebeurde er tussen de vroegste kweek van Bourke's in Europa ? Oorspronkelijk was er geen geel en rood pigment in de bovenrug en onderrug.Het enige pigment was het bruine eumelanine. (Beckmann, 1972) De eerste mutatie van de Bourke was de pastel variëteit. Deze variëteit werd in 1954 ontwikkeld. Bij deze mutatie verminderde de hoeveelheid eumelanine.Alle kwekers probeerden deze variëteit zo geel mogelijk te kweken. Dit was de reden dat het gele pigment zich uitbreidde in het vleugeldek, de gehele rug en de staart. De cinnamon werd ontwikkeld in 1959. De cinnamon was meer rose-bruin van kleur. Veel kwekers probeerden een rode vogel te kweken. Onder hen was Goossens. Hij selecteerde Bourke's met veel rood pigment in de front- en de rugzijde.Hij was erg gelukkig met de kweek van de eerste opalineuit een cinnamon pop en een wildkleur man.(1972) Na enkele jaren toonde hij diep-rose Bourke op een tentoonstelling, een variUeteit die veel publiciteit kreeg..De vermindering van het eumelanine maakte de weg vrij voor een sterke uitbreiding van de rode en gele pigmenten.

Na vele tientallen jaren van intensieve selectie zijn er diep-gele pastellen en diep-rode opaline's.Dit gebeurede voordat de een mutatie in 1992 ontstond waarbij alle eumelanine productie wed uitgeschakeld en voordat de nieuwe variëteiten, lutino en rubino ontstonden. Het was dan ook geen wonder dat een gele en een rode variëteit ontwikkeld konden worden.

Opmerking: Het totaal verlies van eumelanine in de cortex en medulla is te zien in tekening 1. Als geel pigment in de cortex wordt afgezet ontstaat een gele veer Zie tekening 2 Met rood pigment ontstaat een rode veer. Zie tekening 3. De lutino en rubino variëteit zijn het gevolg van dezelfde mutatie factor maar ook van nog aanwezige andere pigmenten.


Lutino en rubino variëteiten

Vergelijking van het verenpak van de lutino- en de rubino variëteit.

Bij andere vogelsoorten, zoals bij duiven, is er, ook in de naamgeving, veel aandacht geschonken aan de kleurverdeling in de veervelden. Bij de parkietensoorten is die aandacht veel geringen. Toch hebben we juist een goed houvast aan de veervelden. Zeker geldt dit als we de rode en gele variant vergelijken

Hoe is de verdeling van geel en rood pigment? We starten met de wildkleur.De kleurverdeling in het verenpak bij de variëteiten hangt samen met de kleurverdeling van de wildkleur. .De kleur van borst , buik, kop en nek hangt samen met de kleurverdeling komt tot voornamelijk tot stand door bruin en rood pigment. Er is volgens Beckmann ook sprake van een heel geringe hoeveelheid geel pigment. Een bruin-rose kop en nek,. een bruin-rose borst en een roodbruine buik. in de wildkleur wijst er op dat daar veel rood pigment aanwezig is in de oorspronkelijke wildkleur.

De borst en buik van rubino en lutino zijn rood. De kop en nek van de rubino vertonen meer rood dan kop en nek van de lutino. De kop van de lutino is deels wit, deels rood.

De rug, het vleugeldek en de staart zijn rood bij de rubino en geel bij de lutino. Er is alleen een uitzondering, de rubino heeft meestal een gele vleugelband.. Bij rubino en lutino zijn de veren die eerst blauw waren nu wit. De blauwstructuur is wel aanwezig maar komt niet tot expressie omdat het melanine ontbreekt.

Albino ? De albino is de droom van menig Bourke's kweker De albino komt nog niet voor bij de Bourke's mutaties. .De mutatie die de lutino en rubino mogelijk maakte is een melanine mutatie. Een volledig wit verenpak is slechts mogelijk als er ook een totaal verlies van rood en geel psittacine pigment plaats zal vinden. Voor een albino is dus meer dan een mutatie nodig. Hierbij komt dan een totaal verlies van alle pigment to stand. De albino Bourke zal dus een combinatie zijn.van totaal verlies van melanine en psittacine pigmenten. In andere vogelsoorten zoals de merel is slechts een mutatie nodig omdat de merel alleen melanine pigment heeft.


Vraag: Wat is het kenmerkende verschil tussen een rode en een gele veer?. Het verschil is aanwezige pigment soort in de schors rood of geel.pigment

Vraag: Is er ook een lutino met een gele buik en bosrt mogelijk? Bij de pastel heb ik een keer een Bourke gezien met een gele borst.

Vraag: Waarom zijn de kleuren geel en rood zo helder? Er is geen mix meer met bruin eumelanine. Het zandkleurig geel wordt helder geel. Het rose wordt helder rood.

Vraag: Waarom is de ene ino flets van kleur en de andere intensief gekleurd? Dit is afhankelijk van de hoeveelheid pigment die n de cortex. is afgezet. De intensiteit van de gele of rode kleur kan maximaal zijn door voortgaande selectie.

Vraag: De ino mutatie in 1992 bracht een lutino. Waar komen de rode rug, vleugels en staart van de rubino vandaan? In de ontwikkeling van de lutino werd gebruik gemaakt van allerlei andere variëteten en de wildkleur. De geschiedenis leert ons dat bij deze variëteiten selectief werd gekweekt. De rubino hangt samen met de partner keuze, niet met de oorspronkelijke ino mutatie.

Opmerking; Rood en geel pigment vererven onafhankelijk van elkaar. Ze hebben een verschillende chemische samenstelling. De ervaring met de Bourke's is dat de meeste mutaties melaninemutaties zijn, zoals de cinnamon, fallow, pastel, ino, enz. Bij alle variëteiten, die gebaseerd zijn op melanine mutaties zijn varieteiten mogelijk in de rode en in de gele reeks, bEr zijn veel voorbeelden van. Bv. de geelpastel en de roodpastel, de rose fallow en de zandkleurige fallow, de gele opaline en de rose opaline, de lutino en de rubino. Dit is ook een teken dat beide psittacine pigmenten onafhankelijk van elkaar veerven. Tot dusver ontbreken studies naar de plotselinge omslag die plaats kan hebben van rood naar geel en omgekeerd. Steiner noemde de mogelijkheid van een totale uitval van geel pigment bij behoud van rood pigment en omgekeerd.

Vraag: Wat is het gevolg van de combinatie van een rubino en een lutino variëteit? Beiden hebben eenzelfde ino factor. Beiden hebben een totaalverlies van eumelanine. Het enige verschil is het bezit aan psittacine pigment: rood of geel. of een combinatie van beiden. Of een veertje rood of geel pigment krijgt wordt beslist in de differentiatie zone onder de follikelr.waaruit de veer zich ontwikkelt. Ook een mix van beide pigmenten kann voorkomen.

In de lutino en rubino komen nog enkele variaties voor: In de gele rug komen soms rode veren voor, In de rode rug komen soms gele veren voor. In de veerschors van elke veer bevindt zich rood of geel pigment.

Ook zijn er Bourke's met een geel rugdek dat met rood is overgoten. Hier gaat het om een mix van twee verschillende pigmenten in dezelfde veerschors. Selectieve kweek is belangrijk voor mooie rubino's en lutino's. Bij de rubino kan worden gestreefd naar rubino's met een volledig rode vleugel. en rode kop. Bij de lutino kan geprobeerd worden een volledig gele vogel te kweken met een gele borst.

Twee voorbeelden van een rode waas en een afwisseled rood en geel rugdek. In beide gevallen is rode pigment te zien alls een uitbreiding die van de kop naar de staart gaat..


index menu

Copyright 2008 Bob Fregeres

E-mail fregeres@telfort.nl

01-06-2008