Naamgeving van mutatie factor en kleur variëteit

Naamgeving van de opaline, een casus

Ik was zo gelukkig de eerste mutatie van de geel opaline turquoisine te kweken, in 1968. Ik ontwikkelde een stam van deze kleurvariëteit. Het was de eerste mutatie van de turquoisine in Holland. In 1972 werd de gele (lichtgroen pastel) turquoisine voor het eerst geïmporteerd uit Engeland.

Eerst moest ik ontdekken hoe de vererving was, als het tenminste een mutatie was. Gelukkig was dit zo! De vererving bleek geslachtsgebonden te zijn. Daarna moest ik een naam kiezen. Omdat in diverse veervelden de kleur groen was veranderd in geel en de variatie in de spreiding van die kleur nogal varieerde, dacht ik dat geel bont de beste naam zou zijn voor deze nieuwe kleur variëteit.

In 1972 vond een nieuwe mutatie plaats van de Bourke. De eerste rose opaline Bourke werd geboren in de voliere van Goossens. Hij noemde hem rose Bourke. Jaren later kwam men tot de overtuiging dat opaline waarschijnlijk een betere naam was voor de geelbonte turquoisine. De naam was ontleend aan de grasparkiet. Eerst aarzelde ik nog omdat een opaal een halfedelsteen is, niet precies wat ik in gedachten had, als ik naar mijn felgele turquoisine's keek. Ook de rose Bourke bleek een opaline te zijn.

Het duurde lang voordat kwekers in Holland en Duitsland gewend waren aan de nieuwe naam. De naam werd bij de turquoisine eerder geaccepteerd dan bij de Bourke. De Bourke wordt op de markt in Holland nog steeds rose genoemd, in Duitsland, Rosa en in Engeland, rosey.

vergelijking rose opaline Bourke en geel opaline turquoisine

Ook de naam opaline was in het begin een zuivere kleur beschrijving. De eerste eigenaar van de opaline graspakiet had hetzelfde probleem als ik, hoe een naam te vinden die een goede beschrijving geeft van het veranderde uiterlijk van de vogel. In 1933 kocht Mr. Terrill op de markt in Aidelaide, in Zuid Australië een bijzonder grasparkiet. Hij noemde hem: bont. Later veranderde hij de naam in gemarmerd. Toen hij hoorde dat dit soort kleur in Engeland opaline werd genoemd, een naam, die door de Budgerigar Society werd geaccepteerd, accepteerde hij deze nieuwe naam.


Opaline kenmerken in verschillende parkieten soorten

Nu is er veel informatie over de opaline. Een recente bron is het mooi geïllustreerde boek van dr. Terry Martin, Colour mutations and genetics (2002). Het idee is dat dezelfde eumelanine kenmerken te zien zijn in de kleurvariëteiten van verschillende vogelsoorten, zoals de Bourke, de roodrug, en de valkparkiet. Dit is het gevolg van een andere verdelings patroon van het eumelanine in het verenpak. Het dons van de jongen is wit, er is een verbreding van de witte streep in de ondervleugel in beide seksen en er is een geslachtsgebonden vererving.

Mijn conclusie is dat de naam opaline, die in het begin een pure kleur beschrijving was, nu wordt gebruikt voor een groep kenmerken van het melanine in het verenpak. De verdere ontwikkeling maakte verschillende kleurseries mogelijk. Opnieuw bleek de kleur beschrijving een goed instrument voor naamgeving. De eerste opaline Bourke was rose. Maar ook andere kleuren zijn ontwikkeld. De kleur variëteiten van de Bourke kunnen worden ingedeeld in vijf kleurenseries. Nu zijn er rode, gele, witte, blauwe en groene opaline Bourke. Allen hebben dezelfde kenmerken van het eumelanine, maar ze verschillen in de andere kleur elementen zoals de psittacine kleuren, geel en rood, en de blauwstructuur. Ook bij de grasparkiet en de turquoisine zijn er verschillende kleuren ontwikkeld. Bijv. de blauwe opaline grasparkiet, de roodbuik- en de "red fronted" turquoisine. De blauwe opaline grasparkiet is ontstaan door het totaal verlies van het gele pigment gecombineerd met een ander distributie patroon van eumelanine. De "red fronted" turquoisine is ontstaan uit de sterke uitbreiding van het rood pigment en de andere distributie van eumelanine. De blauwe en groene Bourke zijn ontstaan uit een sterke uitbreiding van veren van het structurele type in de rug, de stuit en de staart gecombineerd met een ander melanine patroon.

Een goede beschrijvende naam kan bestaan uit de kleurnaam aangevuld met de typering van het eumelanine. Zoals: rose opaline Bourke of roodbuik opaline turquoisine of blauwe opaline grasparkiet.


Andere naamgeving nodig voor mutatie factoren

De ontwikkeling van de naamgeving is nog verder gegaan. De naam opaline wordt nu ook gebruikt als naam voor de mutatie factor. En dat is erg jammer. Er is een groot verschil tussen een mutatie factor en een kleur variëteit. Dit zou ook tot uitdrukking moeten komen in de naamgeving!

Betekenis van de termen mutatie factor en kleurvariëteit

1. Een mutatie is een verandering van het DNA. Het DNA is te verdelen in onderdelen, de chromosomen. Dit zijn de plaatsen waar de genen, de erfelijke factoren zijn te vinden. Een mutatie is een verandering van een gen. Zo'n mutatie gebeurd per ongeluk. Een veranderd gen noemen we mutatie factor.

2. Een mutatie factor is de vervanger van het gen van de wildkleur. Het valt niet mee zo'n gen te localiseren. Biologen proberen de positie te bepalen ( locus) van de mutatie factor op een van de chromosomen.

3. Een kleurvariëteit is een anders gekleurd verenpak van de vogel, vergeleken met de originele wildkleur. Het gaat hier om het uiterlijk van de vogel.

Mutatie factoren en kleurvariëteiten zijn dus heel verschillende zaken. Een mutatie factor is onderdeel van het genotype, de som van alle erfelijke eigenschappen. Een kleur variëteit is het phenotype, de uiterlijke verschijningsvorm van de vogel. De mutatie factor is de oorzaak van de veranderingen in het verenpak. Een nieuwe kleurvariëteit is het resultaat van een mutatie. Als we dezelfde naam gebruiken voor beiden is dit onlogisch en dit kan erg verwarrend zijn. .

Redenen om twee verschillende namen te gebruiken

1. Het effect van eenzelfde mutatiefactor op het verenpak van verschillende vogelsoorten is altijd mede afhankelijk van de andere genen van de soort.
Bijv.: Een mutatiefactor veroorzaakt een totaal verlies van rode en gele pigmenten. Dit heeft bij de grasparkiet een totaal ander gevolg dan het bij de Bourke's zal hebben, als die mutatie een keer voorkomt. De grasparkiet wordt blauw, de Bourke zal het rood uit de buik en de golfjes tekening van de borst verliezen. Hij wordt dus bruiner dan voorheen. Bij de valkparkiet heeft het weer een ander gevolg. De kop verliest de oranje vlek. Het verenpak verliest de gele kleur. Er ontstaat een witkop valkparkiet.

Nu gebruikt vrijwel iedereen dezelfde naam voor de blauwe kleur variëteit en voor de mutatie factor. Deze factor wordt blauwfactor genoemd (Taylor en Warner, 1961) Omdat schrijvers Taylor en Warner volgden in dit geval is de naam blauwfactor, algemeen aanvaard. Maar Taylor schreef dat hij deze naam alleen gebruikte omdat dit gemakkelijker was , niet omdat het de meest geschikte naam was. In feite is het een "absence of yellow" factor (pg.7).

Als we de aanduiding " totaal verlies van geel (en rood) pigment" gebruiken voor de grasparkiet maar ook voor de valkparkiet, de rose kaketoe en andere niet-groene parkieten, is het effect voor ieder duidelijk. De wildkleur gele valkparkiet wordt wit en grijs (witkop), de rose wildkleur rose kaketoe wordt wit en grijs (wit front). Ook voor het begrip van wat de invloed van deze mutatie factor is bij groene vogels, is dit een betere naam. Als het gele pigment verloren gaat in groene vogels, blijven het eumelanine en de blauwstructuur over als kleur bepalende kwaliteiten. Alle schakeringen van blauw zijn mogelijk. De roodrug man zal blauw worden, maar de pop wordt grijs, omdat deze niet groen is en ook geen veren met blauwstructuur heeft. Deze kan dus nooit blauw worden.

Het grootste voordeel van een betere naam voor het pigment verlies is dat er geen behoefte is om namen te gebruiken als: Blauwe rose kaketoe voor de "white fronted" en blauwe valkparkiet voor de witkop en blauwe lutino in plaats van albino. Omdat het effect van een mutatie factor altijd samenhangt met alle kleur kwaliteiten heeft het geen zin om de naam van de mutatie factor af te leiden van de kleurvariëteit

2. Ook moet de naam van de kleurvariëteit niet worden afgeleid van de mutatie factor. Dit zagen we al bij punt 1. Maar er is nog een andere reden. Twee verschillende mutatie factoren kunnen eenzelfde uiterlijk opleveren. Dit vinden we bij de lutino. Er is een recessief verervende factor bijv. bij de elegant en een geslachtsgebonden mutatie factor, bijv. bij de splendid. Ze geven we eenzelfde uiterlijk. Het eumelanine is weggevallen, zowel in het verenpak als in de ogen. Maar de oorzaak ligt heel anders.

Als eenzelfde mutatie factor verschillende kleurvariëteiten oplevert (1) en verschillende mutatie factoren eenzelfde verschijningsvorm kan geven (2) moeten de kleurvariëteit en de mutatie factor niet dezelfde naam krijgen. Dit kan zeer veel verwarring opleveren omdat dit niet in strijd is met de logica..

3. Een goede naam moet een goede beschrijving geven. De naam van de kleurvariëteit is de naam van het veranderde uiterlijk, het fenotype van de vogel. Meestal wordt de naam gegeven door de kweker, die de kleurvariëteit ontwikkelde. De eerste keus is het referentiepunt. Dit kan kleur van het verenpak als geheel zijn, vaker is het een bepaald veerveld. We moeten proberen de meest karakteristieke verandering te vinden. Vogel liefhebbers zijn meestal goede waarnemers. In de communicatie met andere kwekers is een goed gekozen naam erg belangrijk.

4. De naam voor een mutatiefactor moet een goede verklaring geven. Kleurvorming wordt sterk gecontroleerd door de genen. Waarom gaat het dan mis? Een goede naam moet informatief zijn. Kwekers moeten erop kunnen vertrouwen als een kleurvariëteit ontwikkelen of experimenteren met combinaties van factoren. Een informatieve naam kan een voorspelling van het resultaat geven. Verklaring en voorspelling zijn de mogelijkheden die research kan bieden. Een opmerking als: een blauwe kleurvariëteit wordt veroorzaakt door een blauwfactor is zonder betekenis. In de praktijk verwacht men meer van research dan dit.

5. Als aan beiden dezelfde naam wordt gegeven, is dit de miskenning van het feit dat er een groot verschil is tussen beide niveau 's, de verklaring van het verschijnsel (genetica) en de praktische toepassing (kweek, experimenten, observeren, beschrijving)

6. Naamgeving van mutatie factoren moet systematisch zijn. Zeker als men er van uitgaat dat dezelfde mutatiefactoren in allerlei vogelsoorten dezelfde zijn. Naamgeving van kleurvariëteiten is kan nooit systematisch zijn.. Daarom is het niet verstandig de naam van de mutatiefactor af te leiden van de kleurnaam. Namen hebben altijd bij betekenissen. Op z'n best is het een echt beschrijvende naam. Op z'n slechts is het een reclamenaam, een fantasienaam. Ik kocht een keer een elegant. De verkoper prees hem aan met: de grootvader was de beroemde elegant "met de blauwe bril".

7. Goede namen zijn belangrijk in de internationale communicatie. Een kleurnaam is eenvoudig te vertalen. Het is niet zinvol in Nederland allerlei Engelse namen te introduceren. Wat is a dun fallow Bourke? Dun (Engels) =muisgrijs. Iedere kweker kan beoordelen of deze naam goed is gekozen. Maar kwekers die geen Engels kennen mogen niet buitenspel komen te staan omwille van internationale contacten.

Namen van mutatiefactoren maken onderdeel uit van het technisch jargon van biologen en onderzoekers. Die is al internationaal. Dit kunnen Engelse termen zijn. Als de werking van zo'n factor is begrepen zal de kweker er ook geen bezwaar tegen hebben.


index menu

Copyright 2003 Bob Fregeres

E-mail: fregeres@bourke-parakeet.nl

23-12-2003