Relatie tussen de genen

Elk organisme heeft twee DNA ketens. Als op de ene DNA keten een gen is veranderd door een mutatie kan de functie van zo'n gen worden gecompenseerd door het niet gemuteerde gen. Hierbij is het gewijzigde gen ondergeschikt aan het oorspronkelijke gen op de andere DNA keten Dit noemen we recessief ten opzicht van de wildkleur. Als op beide DNA ketens de mutatiefactor aanwezig wordt de functie gestoord. Compensatie is niet mogelijk. De storing komt dit tot uiting in het verenpak. Een voorbeeld is de fallow kleurvariëteit van de Bourke.

Kwekers proberen twee vogels met dezelfde mutatie factor bij elkaar te brengen om op deze manier een kleurvariëteit te kweken. Ze zeggen dan dat de pop en de man beiden split moeten zijn voor die factor. Een recessieve factor kan in een grote groep vogels zeer lang verborgen blijven totdat de koppeling van de juiste op en man bij toeval tot stand komt.

De mutatie factor kan de originele factor overheersen. We spreken dan over dominant ten opzicht van de wildkleur. Als op een van de DNA ketens zo'n factor voorkomt komt dit meteen tot uiting. Het maakt hierbij niet uit in welke DNA keten de fout voorkomt. Het kan niet verborgen blijven. Als op beide DNA ketens dezelfde dominante factor voorkomt is het effect in het verenpak veel sterker. We spreken wel van een-factorig en twee-factorig dominant. Als voorbeeld geldt de bonte elegant gekweekt door Buchholz. Ik zag op een tentoonstelling een vogel die lichter was en een beetje vlekkerig. Toen ik uitgenodigd werd om thuis te kijken bleek dat hij ook vogels had die veel meer bont vertoonden. Hij had zowel een-factorig als twee-factorig dominante vogels.

Eigenlijk is het heel merkwaardig dat soms de mutatie factor wel direct tot uiting komt maar soms ook niet. Dit geldt bijvoorbeeld voor de lutino Bourke. De pop heeft geen melanine meer, het is een lutino kleurvariëteit. De man met dezelfde mutatie factor is een wildkleur. Dit heeft te maken met het geslacht van de vogel. De poppen verkrijgen direct de kleur. De mannen niet. De mannen hebben wel dezelfde factor maar ze zijn split. De oplossing van dit raadsel is gelegen in het feit dat de mutatiefactor ligt op het geslachtschromosoom. De man heeft twee X chromosomen (X genoemd omdat de chromosomen onder de microscoop lijken op de letter X. De pop heeft een X en een Y chromosoom. Het Y chromosoom lijkt onder de microscoop op de letter Y. Vergelijken we X en Y dan zouden we kunnen zeggen dat bij Y een stukje ontbreekt.

Bij de man wordt de mutatiefactor op het ene chromosoom gecompenseerd door de originele factor op het andere chromosoom. Pas als op beide chromosomen op dezelfde plaats een gemuteerde factor ligt is compensatie niet meer aanwezig en de factor komt tot uiting. De mutatie factor ligt op het stukje dat bij de pop ontbreekt. Daarom komt de factor daar wel tot uiting.

Er is nog een laatste mogelijkheid. De factor beïnvloedt de wildkleur maar ten dele. Een voorbeeld is de roodbuik turquoisine. Als we een roodbuik turquoisine met een wildkleur paren verkrijgen we een wildkleur met iets meer rood dan normaal. Roodbuik turquoisines kunnen steeds intensiever en uitgebreider rood vertonen door langdurige selectieprocessen. Zo'n zeven jaar. We noemen dit soort vererving intermediair. De kleur verschuift van geel naar rood. Beiden zijn door selectie te beïnvloeden.

We kunnen de mutatie factoren van de Bourke nu indelen in recessief, dominant en geslachtsgebonden en intermediair.


Recessieve vererving van de mutatie factor t.o.v. de wildkleur

gameten: k k
K Kk Kk
K Kk Kk

Hierbij is K het niet gemuteerde gen, de wildkleur en k het gemuteerde gen. De mutatiefactor wordt doorgegeven aan het nageslacht, maar komt niet tot expressie. K overheerst k.

In feite compenseert het niet gemuteerde gen op het ene chromosoom het mogelijke effect van de mutatiefactor op het andere chromosoom. Een voorbeeld bij de Bourke is de vererving van de pastelfactor. De mutatiefactor k is dus recessief ten opzichte van de wildkleur.

Bij een paring van de jongen onderling, die de genetische aanleg Kk hebben, kijken we naar de volgende tabel:

gameten: K k
K KK Kk
k Kk kk

Hier zien we dat 1/4 van de nakweek, de mutatie factor in tweevoud bezit (kk). Als de factor k op beide chromosomen te vinden is, komt de factor tot expressie. In een grote populatie vogels kan een recessieve mutatie factor zeer lang verborgen blijven. In een beperkte populatie komen recessieve mutatie factoren sneller naar voren omdat de partnerkeus beperkter is.


Dominante vererving van de mutatiefactor t.o.v. de wildkleur

gameten: m m
M Mm Mm
m mm mm

Als door mutatie tijdens de meiose en bevruchting een dominant verervend gen ontstaat in een van de jongen, komt dit gen komt direct tot uiting. Compensatie lukt niet. Het resultaat is direct zichtbaar in het verenpak.
In de tabel wordt de dominante factor aangegeven met de letter M. We zeggen dat deze mutatie factor dominant is t.o.v. de normale wildkleur. We noemen dit enkel factorig dominant. Als we deze jonge vogel paren aan een normale wildkleur vogel dan zal deze factor die op een van de chromosomen ligt direct vererven. Gepaard aan een vogel, die het gemuteerde gen niet bezit levert dit 50% jongen op die de dominante factor bezitten. Er zijn hier geen splitten. Als we met deze jonge vogels verder kweken ontstaat de volgende mogelijkheid:
Bij de paring van enkel-factorige jongen (M) ontstaan ook nakomelingen met een dubbele factor. We noemen dit 2-factorig dominant (MM) 3/4 van deze jongen bezitten deze dominante factor.
Een dominante factor in een populatie wordt altijd direct opgemerkt. Deze factor kan zich zeer snel in een populatie uitbreiden.


Geslachtsgebonden vererving van een mutatiefactor,

onvolledige dominantie t.o.v. de wildkleur

gameten X Y
Xi XiX XiY
X XX XY

Hier gaat het om een mutatiefactor die gelegen is op het geslachts chromosoom. De vorm van een geslachts chromosoom van de man die we zien onder de elektronen microscoop, is te vergelijken met de letter X. De man heeft twee series chromosomen. Twee maal X. Bij de pop ontbreekt bij de tweede X een deel. Dit chromosoom ziet er uit als de letter Y. De geslachtschromosomen van de man duiden we aan met de letters XX, die van de pop met XY. We stellen ons voor dat er een mutatie plaats vindt op een van de X chromosomen van de man. Aangeduid met Xi. Wordt dit chromosoom overgedragen op een zoon dan zal de mutatiefactor niet tot uiting komen. De mutatiefactor van het ene X chromosoom wordt gecompenseerd door het ongewijzigde gen van het tweede chromosoom Als deze factor op het X chromosoom wordt overgedragen op een jonge pop kan deze mutatiefactor wel tot uiting komen. Tegenover X staat Y. De factor wordt niet gecompenseerd.
Dit wil zeggen, dat een mutatiefactor wel direct bij de jonge poppen te voorschijn kan komen, maar niet bij de jonge mannen. We kweken dus poppen met een nieuwe kleur variëteit maar wildkleur mannen, split voor die factor. De dominantie van die mutatie factor is dus aanwezig (bij de pop) maar onvolledig (niet bij de man).
Bij de man is het noodzakelijk dat de mutatiefactor op beide chromosomen aanwezig is om tot uiting te komen.
Een voorbeeld is de vererving van de opaline factor bij de Bourke


Intermediaire vererving van de mutatiefactor t.o.v. de wildkleur

gameten: R R
Y RY RY
Y RY RY

Hier is geen sprake van een dominante of recessieve verhouding tussen factoren. Ze zijn gelijkwaardig aan elkaar. Het resultaat is een mix van kenmerken. De pigmenten rood en geel worden aangeduid met R en Y (Yellow). Beiden komen tot expressie, rood en geel geeft oranje. De kleur ligt tussen beide kleuren in. Ook bij het formaat van de vogel speelt intermediaire vererving een rol. Groot maal klein geeft middelmaat. De intermediaire factoren kunnen zinvol worden beïnvloed door gerichte selectie van de kweker. Het is logisch dat bij een langzame verschuiving van rood naar geel of andersom niet kan worden gesproken over mutatie. Het gaat wel over verandering. In het Engels spreekt men over modifyers (Modifying = verandering). Dit treedt uitsluitend op bij pigmenten. We moeten dit echter niet onderschatten. Bij vrijwel elke kleur ontwikkeling bij vogels die ontstaan is door mutatie treedt ook selectie op. De opaline is een duidelijk voorbeeld van mutatie gevolgd door aanvullende selectie. Kijk maar naar de turquoisine of de roodrug.

Er zijn bij de psittacine kleuren rood en geel ook mutaties mogelijk. Bijv. door een volledige beletting van geel of rood. Een verliesmutatie van rood of geel. Hier is de verschuiving direct en volledig.


Afwijkingen van de verervingsschema’s invloed van lethale factoren

We hebben tot dusver steeds schema’s gepresenteerd waarbij het percentage eenvoudig te berekenen valt. Als we een volledig afwijkend percentage jongen krijgt bv. een veel geringer aantal dan op grond van de schema’s kan worden verwacht is er soms een lethale factor in het spel. Jongen sterven in het ei of kort na geboorte. Dit beïnvloedt het percentage dat werd verwacht, in negatieve zin. Vooral als we sterke afwijkingen vinden moeten we hierop alert zijn.


De onderlinge relatie tussen mutatie factoren

In bovenstaande tabellen is het uitgangspunt de gameten en de relatie tot het originele gen van de wildkleur. In de kruistabellen van de verschillende kleurvariëteiten wordt ook de relatie tussen mutatie factoren onderling aan de orde gesteld. Kleur varieteiten ontstaan dikwijls door combinatie van mutatie factoren. De kweker stelt zich dan de vraag hoe de mutatiefactoren de kleur van het verenpak zullen beïnvloeden als we ze combineren.

index menu

Copyright 2004 Bob Fregeres

E-mail: fregeres@bourkes-parakeet.nl

19-01-2004