Rose opaline Bourke (R-5)

Ontwikkeling: De opaline mutatie werd ontwikkeld door Goossens in 1972. Ik heb mijn aantekeningen nog eens nagekeken, die ik maakte na bezoeken aan Goossens. Goossens heeft lange tijd geprobeerd een rose Bourke te kweken. Hij probeerde vogels te vinden met extra rood in de buik. Eens kocht hij een wildkleur man in de buurt. Hij paarde deze man met een isabel pop. Hij was verrast toen hij in het eerste nest twee wildkleur mannen en twee rose poppen vond. In het volgende broedseizoen paarde hij broers en zusters. De resultaten waren slecht. Slechts kleine nestjes en veel dode jongen. Maar uit het oude paar kweekte hij weer twee rose poppen. In de jaren die volgden slaagde hij erin een stam te ontwikkelen. In het begin was de variatie nogal groot. De eerste rose poppen hadden een witte vleugelbocht. Een had een witte streep op de vleugel. Sommige hadden bruine koppen, stuit en staart. Anderen vertoonden een donkere golftekening op de borst. Na een moeilijke start en veel selectie, was hij later enorm succesvol. In 1977 kweekte hij 150 jongen in een broedseizoen. 45 waren rose. De eerste tijd dacht hij dat de vererving recessief was, maar toen hij enkele vogels had verkocht werd het absoluut zeker dat het om een geslachtsgebonden vererving ging.

Beschrijving. De vogels waren rose, in de vogelwereld een zeldzame kleur. De rode kleur wordt rose onder invloed van het restant bruine eumelanine in de rugzijde. Het eumelanine is gereduceerd in diverse veervelden. De rug, een deel van de vleugel, een deel van secundaire en tertiaire vleugelveren en de grote-, middel- en kleine vleugeldekveren. De rose opaline mist de blauwe voorhoofdband, dus is geslachtsbepaling moeilijker. Ook in andere veervelden is het blauw (deels) verdwenen. De blauwe voorhoofdsband is wit geworden. Dit bemoeilijkt de selectie van mannen en poppen. Vele exemplaren missen ook in de schouder, de vleugel bocht en in de staart het blauw.

Er zijn drie kenmerken van het eumelanine:
1. De fijne streepjes op de rug, te vinden aan de top van de contourveertjes.
2. Een verbreding van de niet ge pigmenteerde streep onder de vleugel. Deze is heel goed te zien als de vogel vliegt. Als hij zit, is dit zichtbaar als een witte driehoek in de vleugelrand.
3. de geslachtsgebonden vererving.
De opaline is vanaf het eerste moment gekweekt in de rode richting. Het rood is nu zeer ver doorgedrongen in de vleugeldekveren en is intensiever geworden. Men selecteerde opaline’s met een minimum aan eumelanine en een maximum aan rood pigment. Nu zien we rose opaline maar ook rode opaline, die een mooie diep rode kleur op de rug heeft, maar ook in de borst en de kop diep rood is. Het rood contrasteert sterk met de donkere, niet opgebleekte vleugelrand, die meer zwart dan bruin is. Het is geen nieuwe mutatie, maar een nieuwe kleur variëteit. De vererving is bij beiden kleur varieteiten geslachtsgebonden.

Mutatie factor: De mutatiefactor is een M-factor. De vererving is geslachts gebonden. Deze factor vererft onafhankelijk van de psittacine- en structuur factoren. Intensivering van het rode pigment en de spreiding van het pigment werd gestimuleerd door selectie. De eerste exemplaren hadden nog veel bruine veren, op de kop, de golftekening op de borst en de bruine vleugeltekening.

index menu

Copyright 2003 Bob Fregeres

E-mail: fregeres@bourkes-parakeet.nl

23-12-2003