Samenvatting van mijn aanpak van naamgeving van variëteiten van vogelsoorten op basis van een trinominaal systeem
Verantwoording van de aanpak van naamgeving in deze website
Wetenschappelijke naamgeving volgens het binominaal systeem

Het systeem van wetenschappe-lijke naamgeving werd ontwikkeld door Linnaeus in 1735. Hij introduceerde het binominale systeem. In dit systeem krijgt elke vogelsoort een eigen, unieke naam. Soorten worden ingedeeld in een hogere categorie: genus (meervoud genera) op basis van overeenkomst.

Genera worden ingedeeld in families, families in orden, orden in klassen, enz. Op deze manier ontstaat een hiërarchische classi-ficatie. De soorten vormen in de classificatie de laagste categorie.

Voorbeeld: De eerste Australische parkiet, die werd beschreven door Linnaeus was de regenboog lori. De wetenschappelijke naam was: Psittacus haematodus (1771). De naam van de genus werd veranderd door Vigors en Horsfield (1826) in de naam Trichoglossus.

De indeling van deze soort gegeven door Forshaw:

species: ......................haematodus, genus: ....................Trichoglossus, subfamily: .....................Loriinae, family: ...........................Loriidae, order: ....................Psitticaformes, class ....................................Aves.

De genus wordt geschreven met een hoofdletter, de soort met kleine letter.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Trinominaal systeem

Trinominale nomenclature is een systeem voor naam-geving waarbij de binomi-nale nomenclatuur wordt uitgebreid met een derde taxon. Het wordt gebruikt in de biologie als organismen in een soort in aparte groepen vallen, die een onderscheiding nodig maken.

Het systeem wordt o.m. gebruikt voor de kweek van gecultiveerde planten. De wetenschappelijke naam van de plant wordt gevolgd door de naam van de cultivar.

De internationale code voor de nomenclatuur van gekweekte planten (1953) werd ingevoerd en geaccepteerd door hobbyisten en wetenschappers.

.

.

.

.

.

.

.

Gewone namen

Honderden jaren gaven mensen namen aan de vogels in hun omgeving. De locale namen typeren het gedrag, de zang of de kleur. De meeste namen zijn kleur-namen. Soms zijn deze locale namen erg verwar-rend. In Engeland wordt de naam Robin gebruikt voor het roodborstje, een klein tam vogeltje met een bruinrode borst (Erithacus rubeacula) In Amerika wordt dezelfde naam Robin gebruikt voor een forse zangvogel met een rode borst en buik, (Turdus migratoris) familie van onze merel (Turdus merula)

Naamgeving in de moedertaal

Voor de gewone namen van vogelsoorten wordt de moedertaal, de taal van het land, of streek gebruikt.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Mutatie: Een mutatie is een spon-tane verandering, die niet is gepland en onverwacht plaats vindt. (T.G.Taylor en Warner: "Genetics for Budgerigar breeders" (1961, pg. 47)

Mutatiefactor: Een mutatiefactor is een veranderd gen dat is te localiseren op een chromosoom. Dit gen omvat meestal de code voor een proteïne of RNA , waarbij de vererving experimenteel kan worden gevolgd.

Kleurvariëteit: Een kleurvariëteit is een nieuw uiterlijk van de vogel-soort,.

Variëteit: De term variëteit omvat alle drie genoemde aspecten.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Parallel mutaties

Een parallel mutatie is een zelfde mutatie, die opgetreden is in ver-schillende vogelsoorten. Er zijn drie goede mogelijkheden om de mutatiefactor te benoemen: .......... 1. De structuur factor, ................. 2. Formatie verandering van pig-menten en structuren................... 3.Speciaal effect van het gen.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Wetenschappelijke methoden van de naamgeving van genen.

Enkele citaten uit de nomenclatuur voor muizen en ratten:

"Als een gen uitsluitend wordt gekend door een mutatant phenotype, krijgt het gen de naam van de eerste geïdentificeerde mutant"

"Als het gen, dat verantwoordelijk is voor de variatie, bekend is wordt dit de voornaamste naam van het gen"

"De naam van een gen moet de functie of het karakter van het gen tot uitdrukking brengen"

"De meeste genen zijn structurele genen die de code vormen van een proteine. Het gen moet zo mogelijk de naam van dit proteïne krijgen."

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Eerste versie van een overzicht van alle bekende mutatie facto-ren gebaseerd op de functie ver-anderingen van het gen.

De namen zijn in het Engels. Voor toelichting en vertaling zie: Classificatie melanine factoren en classificatie psittacine- en structuur factoren

M-r ( r=reduction of the melanin production)

M-e (e=enhancing of the melanin production)

M-i (i=interruption of the produc-tion)

M-t+ (t+=tyrosinase positive)

M-t- (t- = tyrosinase negative)

M-w (w=wrack of dendrites)

M-s (s=shortage of germ cells)

M-d (d=distribution pattern)

M-g (g=grouping of the melanin granules)

M-f (f=format,form of the melanin granules)

M-o (o=oxidation of the melanin granules )

S-s (s=structural change)

S-r (r=refinement sponge layer)

S-f (f=finest sponge struc-ture)

S-t (t=total destruction of the blue structure)

S-p (p=partial destruction of the blue structure)

S-d (d= deviation of the skin)

S-v (v=vacuoles enlargement)

P-r (r=reduction pigment production)

P-t (t=total reduction of the pig-ments)

P-m (m= minimal production)

P-e (e= enhanced pigment product-ion)

P-s (s= schizo chromatism)

P-p (p = partial lacking of pigment)

P-d (d= distribution of pigments)

Literatuur: MGI publicatie "Rules for Nomenclature of genes.." jan 2005 Trinomial nomenclature. Wikipedia 22-1-2005

.

.

.

Back to Index

Back to Menu

Voorbeeld van wetenschappelijke naamgeving

Toen ik begon met de kweek van Bourke's parkieten vond ik in handboeken twee verschillende namen. Forshaw gebruikt de naam: Neophema bourkii. Immelmann gebruikt de naam: Neopsephotus bourkii.

Forshaw verdeelde het geslacht Neophema in drie verschillende subgroepen: 1. N.bourkii, met als voornaamste kenmerk een rose en bruin verenpak 2. N.chrysostoma, N.elegans, N.petrophylia en N.chrysogaster met groene rug en geel front, blauwe vleugeldekveren en een smalle blauwe voorhoofdsband. 3. N.pulchella en N.splendida, met uitgebreid blauw op de kop en rood op de vleugel respectievelijk de borst. Deze indeling in genera door Forshaw was dus gebaseerd op kenmerken van het verenpak.

Immelmann volgde de opvatting van Von Boetticher. De Bourke behoort tot een apart geslacht, Neopsephotus genaamd. De argumentatie voor deze keuze was: Verschillen in de kleurvan het verenpak, een andere grootte en ander gedrag. Hij noemde ook het feit dat een kruising tussen Neophema soorten en Bourke's vrijwel niet voorkomt en geen vruchtbare jongen oplevert. Het geslacht Neopsephotus om-vat slechts een soort. Dit wordt een monotype genoemd. Ook de valkparkiet en grasparkiet zijn monotypen.

De Latijnse naam van de soort, bourkii, is afgeleid van de naam Bourke, die werd gegeven door Thomas Mitchell. Hij noemde de Bourke naar Sir Richard Bourke. De soort werd in in New South Wales ontdekt in 1835.

Vraag: Welke classificatie is nu de beste? De indeling van de Bourke door Forshaw (plaatsing in het geslacht: Neophema, maar in een aparte subgroep) of die van Immelmann (plaatsing in een apart geslacht Neopsephotus). Welke naam is de beste: Neophema bourkii of Neopsephotus bourkii?

Het verslag " Biochemical Systematic of Parrots" van het onderzoek door het S.C.I.R.O, de Australische Universiteit en het Victoria Museum, leverde een wetenschappelijke onderbouwing van de keus voor een aparte genus. In dit onder-zoek vond men bij de Bourke aparte proteïnen die bij Neophema niet voorkomen. Dit vormde een doorslag gevend argument:

Conclusie: In dit voorbeeld gebruikte Forshaw argumenten die volledig bebaseerd waren op de kleur van het verenpak. Von Boettinger en Immelmann voegden hier argumenten aan toe die gebaseerd waren op genetische verschillen. Kruising levert geen vruchtbare jongen op. Hybridisering is alleen mogelijk als de genetische make-up niet te veel verschilt. Het Australisch onderzoek leverde het definitieve argument op. Er werd verschil geconstateerd in proteïnen, die de expressie van genen bepalen.

Wetenschappelijke naamgeving van variëteiten volgens een trinominaal systeem

Ontwikkeling van variëteiten

Kwekers van variëteiten zijn vaak uitstekende waarnemers. Als een nieuwe kleur wordt gevonden zijn dit de mensen, die de mutatie vastleggen en een nieuwe variëteit ontwik-kelen. Ontwikkeling is nodig. Taylor zei:" De eerste verschijning na een mutatie hoeft niet alle mogelijkheden te tonen. Soms wordt slechts een kleine verandering zichtbaar als hij voor het eerst verschijnt". Vakkundige ontwikkeling door een ervaren kweker kan een kleurvariëteit opleveren, die de volledig expressie van het gen toont. Dit kost heel veel tijd, ruimte en geduld. Kwekers bepalen de naam van de variëteit. Daarna wordt de nieuwe naam gebruikt door andere kwekers, en gebruikt in vogelverenigingen, op beurzen en tentoonstellingen en in publicaties in vogelbladen.

Binominale namen voor vogelsoorten

Systematische naamgeving volgens het binominale systeem is gebouwd op twee pijlers. De naam van de soort is een unieke naam. Deze verwijst naar de verschillen tussen soorten. De naam van het geslacht verwijst naar de overeenkomst tussen soorten. Een dubbele naam maakt identificatie en classificatie van soorten mogelijk. De soort vormt het laagste niveau van een hiërarchische classificatie.

Trinominale namen voor varieteiten

Wat is een variëteit? Een vogelsoort kan variëren is grootte, kleur, etc. Een kleurvariëteit ontstaat als het uiterlijk van een vogelsoort (het phenotype) is veranderd door mutatie van een van de genen, die de vorming van pigmenten of veerstructuur bepalen. Een variëteit heeft twee verschillende aspecten, het nieuwe uiterlijk (het nieuwe phenotype) en de nieuwe genetische make-up van de soort (het nieuwe genotype). Het nieuwe genotype bestaat uit een veranderd gen en alle andere, niet-veranderde, genen.

Voor wetenschappelijke naamgeving en classificatie moeten we een onderverdeling in de soort maken, een nieuw lager niveau in de hiërarchie. Het is mogelijk om het binomi-nale systeem uit te breiden tot een trinominaal systeem. Dit is ook gedaan in de naamgeving van variëteiten van plantensoorten.Voor een juiste identificatie van een variëteit van een vogelsoort kunnen we de wetenschappelijke naam van de soort laten volgen door een wetenschappelijke naam van de variëteit. Samen vormen deze een drievoudige wetenschappelijke naam.

Een belangrijk probleem vormt de naamgeving van dit derde deel van de naam. Een keus moet worden gemaakt tussen een naam, die verwijst naar het veranderde uiterlijk of naar de veranderde erfelijke aanleg.

Aan zo'n naam moeten eisen worden gesteld. De wetenschappelijke naam moet wetenschappelijke doelen mogelijk maken: 1. Identificatie van de variëteit. 2. Classi-ficering van de variëteit in een hiërarchisch systeem. 3. Opsporing van parallel variëten in verschillende vogelsoorten. 4. Ondersteuning van de communicatie op nationaal en internationaal niveau.

Een nieuwe aanpak van wetenschappelijke naamgeving moet worden opgevat als innovatie. Acceptatie van nieuwe namen vormt hierbij een eerste stap. Implementatie van de nieuwe werkwijze van naamgeving is een tweede stap. De nieuwe aanpak kan alleen slagen als deze voordelen voor de wetenschap maar ook voor de gebruikers,de kwekers. Wetenschappelijke namen, die inzicht geven hoe een kleur tot stand komt, wat de ontstaanswijze is van de varieteit, kunnen de kweker helpen. De toepassing en verspreiding van kennis van kleurvormings processen bij vogels is een belangrijk bij- effect.

Kleurnamen en wetenschappelijke naamgeving

In overeenstemming met het binominaal systeem van Linnaeus en zijn opvolgers is het zinvol onderscheid te maken tussen lokale of gewone namen en wetenschappelijke namen. Mijn veronderstelling is dat de naamgeving van een nieuwe variëteit sterke overeenkomst vertoont met lokale naamgeving. Een paar eendere kenmerken zijn: 1. De meeste namen zijn kleurnamen. De lijst van variëteiten van de grasparkiet (Taylor, 1961) omvat dertig variëteiten. Twee en twintig hebben een kleurnaam, de overige acht namen verwijzen naar het uiterlijk: bont, in drie variëteiten; fallow, in twee variëteiten; crested, lacewing en clearwing. In andere vogelsoorten zien we dezelfde trend. 2. Soms wordt de naam afgeleid van fruitnamen, appelgroen, abrikoos, of steensoorten: leikleurig, of halfedelstenen: jade en opaal, of kostbare metalen: goud en zilver, Enkele voorbeelden van gewone namen voor vogel-soorten zijn: goudfazant en zillver fazant.. 3. Soms krijgen verschillende variëteiten eenzelfde naam, zoals cinnamon. 4. Het is ook mogelijk dat dezelfde varieteit in verschillende landen een andere naam krijgt zoals faded of isabel. 5. De gewone of lokale naam wordt gegeven in de moedertaal. Hierdoor is de naam verbonden aan een bepaald taalgebied, land of regio. Hij moet voor internationaal gebruik worden vertaald.

Mijn conclusie is dat namen, die in de vogelkweek worden gebruikt, te vergelijken zijn met de gewone namen voor vogels.

Het bereiken van wetenschappelijke doelen zoals identificatie, vergelijking en classi-ficatie met behulp van kleurnamen is zeer problematisch. Identificatie van variëteiten op basis van de kleur gaat redelijk als we deze beperken tot een vogelsoort. Er is veel ervaring opgedaan bij de grasparkiet. Het lukte bij de grasparkiet ook niet helemaal om unieke namen te vinden. Sommige namen moesten worden aangevuld met het land van herkomst en de wijze van vererving. Vergelijking tussen variëteiten van verschillende vogelsoorten op basis van kleur is erg moeilijk. Bijvoorbeeld: Als we de blauwe varieteit van de Princess of Wales vergelijken met de blauwe varieteit van de Bleekkop Rosella blijkt dat er allerlei verschillen zijn in helderheid en intensiteit van de kleur. Ook de kleurverdeling in het verenpak verschilt. Classificatie van kleurnamen is slechts heel beperkt mogelijk. We kunnen ze indelen in globale kleurseries: wit, bruin, zwart, rood, geel, blauw, groen en violet. Precieser kan het niet. Met kleurnamen zijn de doelen van wetenschappelijke naamgeving niet bereikbaar.

Er zijn nog twee andere belangrijke doelen: Omdat er in zoveel vogelsoorten mutaties zijn opgetreden is het mogelijk geworden paralellen te ontdekken. Het streven is om dezelfde mutatie factor dezelfde naam te geven. Een tweede ontwikkeling is de interna-tionalisering van kweek van variëteiten. Hierdoor kwamen er vertaalproblemen. Er is een behoefte ontstaan namen te geven, die internationaal gebruikt kunnen worden.

De verschillende functie van gewone namen en wetenschappelijke namen

Gewone namen voor variëteiten vervullen een heel belangrijke rol in de communicatie in een land of taalgebied. We kunnen de gewone namen niet missen in de kweek, in vogelverenigingen, bij koop- en verkoop van vogels op de vogelmarkt, in artikelen in vogelbladen, bij tentoonstellingen, enz. Zonder financiëele prikkels zou de hobby nooit zo'n grote vlucht hebben genomen. Het is begrijpelijk dat sommige kwekers een aantrekkelijke naam prefereren boven een zo goed mogelijke naam. Meestal worden de namen voor kleurvariëteiten niet systematisch ontwikkeld.

Gewone kleurnamen zijn niet geschikt voor het bereiken van de wetenschappelijke doelen. We mogen aan gewone namen niet dezelfde eisen stellen als aan wetenschappe-lijke namen. Het gebruik van gewone en wetenschappelijke namen voor variëteiten is te vergelijken met het gebruik van gewone en wetenschappelijke namen voor vogel-soorten. In elke vogelgids vinden we ze dan ook de gewone naam en de wetenschappelijke naam naast elkaar beschreven. Ze zijn beiden nuttig en noodzakelijk. Ze vervullen beiden een verschillende functie.

Naam van de mutatiefactor en wetenschappelijke naamgeving van variëteiten.

Als we het onderwerp variëteit analyseren vinden we drie verschillende termen. Mutatie, mutatiefactor en kleurvariëteit. Kwekers gebruiken tegenwoordig de term "mutatie" als een verzamelterm. Ook schrijvers gebruiken de term "mutatie" op deze manier. Maar een variëteit is geen mutatie. Alle drie termen hebben betrekking op verschillende aspecten van hetzelfde onderwerp. Maar elke term heeft een geheel eigen betekenis. Voor weten-schappelijke naamgeving is het noodzakelijk een scherp onderscheid te maken. Gebruik van de term "mutatie" voor alle drie kan een belemmering opleveren voor het vinden van een goede werkwijze voor wetenschappelijke naamgeving.

Naamgeving van de variëteiten binnen een vogelsoort Hierbij wordt steeds gekeken hoe de variëteit verschilt van de wildkleur. Elke mutatiefactor heeft een aparte variëteit tot gevolg. Het uiterlijk verschil met de wildkleur is steeds weer anders. Dit kan worden benoemd met een kleurnaam. Het bekendste voorbeeld is de naamgeving van variëteiten van de grasparkiet. Taylor gebruikte de naam van de nieuwe kleur-variëteit tevens als naam voor de mutatiefactor. De blauwe grasparkiet werd veroor-zaakt door een factor, die hij blauwfactor noemde. In de practijk is vervolgens de gewoonte ontstaan te spreken over "mutaties" zonder verder onderscheid te maken.

Schrijvers zoals Watmough, Immelmann, Duncker, Steiner, Mendel en Darwin maakten een scherp onderscheid tussen de mutatiefactor en de kleurvariëteit. Steiner gebruikte: Farbspielarten (Duits=kleurvariëteit) en Bildungsfaktoren ( Duits= kleur productie factoren) De kleurvariëteiten werden onderscheiden in Grundvarietäten (variëteiten gebaseerd op een faktor) en Kombinationsvarietäten ( combinatie, gebaseerd op meerdere factoren). Voor kleurvariëteiten gebruikte hij de gewone kleurnamen die door kwekers waren gegeven.Voor de mutatiefactoren gebruikte hij Latijnse namen. Steiner vond de perfecte oplossing voor het verschillend gebruik van beide namen. Voor weten-schappelijke doelen, zoals identificatie classificatie en parallel varietieten gebruikte hij de "Bildungsfaktoren" voor kleurvariëteiten de "Farbspielarten".

Omdat kleurnamen niet bruikbaar zijn voor wetenschappelijke doelen, lijkt het veel zinvoller de mutatiefactor te gebruiken voor de identificatie van de variëteit dan de kleurvariëteit. Omdit na te gaan moeten we weten hoe de relatie is tussen beiden.

De relatie tussen mutatiefactor en kleurvariëteit

Als we de mutatiefactor willen gebruiken voor naamgeving van de variëteit moeten we nagaan welke de relatie is tussen de mutatiefactor en de kleurvariëteit.

Deze relatie is erg complex. De relatie is weer te geven als een keten van oorzaken en gevolgen. De mutatie verorzaakt een verandering in een gen, hierdoor wordt de functie, die het gen heeft in de kleurformatie, veranderd. Dit heeft een specifiek effect op de kleur van verenpak en soms ook op de kleur van ogen, huid en hoordelen. Gecombineerd met de effecten van de andere genetische factoren, die te maken hebben met kleurvorming, maar die normaal functioneren, is een nieuw uiterlijk het resultaat. Samengevat:

Mutatie - mutatiefactor - veranderde kleurformatie - speciaal effect van het gen - de combinatie van effecten van gemuteerde en niet gemuteerde genen - een nieuwe kleurvariëteit.

1. Keuze van de kleur varieteit voor identificatie van de varieteit: Wat is de reden voor het verschil in varieteiten? De voornaamste reden is het feit dat de genetische make-up van elke vogelsoort anders is. Elke varieteit is uniek. In verlies-mutaties zoals het totaal verlies van melanine pigmenten, is het resultaat toe te schrijven aan de andere, niet-gemuteerde genen van de soort. Voorbeeld: Lutino Bourke of Rubino Rose kakatoe. In verlies-mutaties zoals het gedeeltelijk verlies van psittacine is het resultaat toe te schrijven aan de combinatie van beiden. Bijv.: De zeegroene Splendid. In een win-mutatie zoals de verfijning van de spons zone in de blauwstructuur van de veer, is het resultaat toe te schrijven aan de veranderde factor. Voorbeeld de donker-groene grasparkiet. De kleur varieteit kan de mutatie factor niet representeren. Er is nog een ander moeilijk probleem. Een van de wetenschappelijke doelen is de naamgeving van parallel mutaties. Zo is er een totaal verlies van psittacine pigmenten bij de grasparkiet en de valkparkiet. Het resultaat is een blauwe grasparkiet en een witkop valkparkiet. Welke naam krijgt de mutatiefactor? Blauw? of Witkop? Als we kiezen vooe de naam Blauw kiezen we voor de grasparkiet als model. Parallel mutaties komen voor in bruine- en veelkleurige vogels. Totaal verlies van melanine vinden we in de grasparkiet en de kanarie. en andere niet-parkieten soorten. Kiezen we voor de grasparkiet dan beperken we ons in de naamgeving tot een orde. Maar naamgeving van parallel mutaties moet universeel toepasbaar zijn . De beperking wordt opgelegd door de keus van het model en de keus van de kleurnaam als identificatie middel

Als we een naam willen vinden voor de mutatiefactor kunnen we een keuze maken tussen uit de oorzaak-gevolg serie: 1. De mutatie factor 2.De verandering in het kleurformatieproces 3. Het speciaal effect van het gen.

De rol van wetenschappelijk onderzoek in de naamgeving van variëteiten

Steiner Wetenschappelijk onderzoek vormde voor Steiner de basis waarop hij de naamgeving baseerde, de verandering in de functie van de genen. Voorbeeld: De olijf grasparkiet werd bestudeerd door Duncker en door Steiner. Duncker ging er van uit dat de verhoging van de phaeomelanine pigmentproductie de oorzaak was. Steiner nam aan dat een verandering van de blauwstructuur de variëteit kon verklaren. Toen het duidelijk werd dat parkieten geen phaeomelanine pigment bezitten en dat de verfijning van de kleine keratine kanaaaltjes in de sponszone de werkelijke oorzaak vormde, werd de discussie beëindigd in het voordeel van Steiner. De mutatiefactor was een structuur- factor geen melanine pigmentfactor.

Steiner ontwikkelde een classificatie systeem gebaseerd op de verandering van de formatie van pigmenten en veerstructuur.In zijn classificatie gebruikte hij drie categorieën M (melanine), L (lipochroom) en S (structuur) factoren. Elke categorie was verdeeld in subcategorieën. Hierin werden de veranderingen van pigment formatie en veerstructuur ondergebracht. Zijn classificatie was gebaseerd op "Parallel Variationen" in alle vogel-soorten.

Mutavi Recent onderzoek door Mutavi van de recessief verervende lutino is een interessant voorbeeld van een melanine mutatiefactor Het zwarte eumelane pigment verdween uit het verenpak van de grasparkiet. De oorzaak, die werd beschreven in onderzoek van de Mutavi research groep, is de inactiviteit van het enzym tyrosinase. Zwartkleuring van eumelanine korrels, die worden afgezet in de veren, snavel, nagels , huid en de retina van het oog, is een belangrijk aspect van het formatieproces van dit pigment. De inactiviteit blokkeert de kleuring. Mutivi noemde dit tyrosinase negatief. Door het ontbreken van zwarte korrels kan de blauwstructuur in de veren niet tot uiting komen. De donkere absorberende achtergrond in de cortex en de medulla van de veer ontbreekt. De formatie van het gele pigment in de cortex wordt niet aangetast en domineert nu de nieuwe kleurvarieteit. De kleurvariëteit van de grasparkiet wordt lutino genoemd. In andere vogelsoorten heeft dezelfde oorzaak, het ontbreken van de zwartkleuring, een andere kleurvariëteit ten gevolg. De Rose Kakatoe heeft rood pigment, geen geel pigment. Die kleurvarieteit wordt rubino genoemd.

Het is heel interessant om te zien hoe dezelfde genetische mutatiefactor uitwerkt in de kanarie. De kanarie heeft twee soorten melanine, eumelanine en phaeomelanine. Phaeomelanine korrels zijn roodbruin, ze zijn kleiner en minder vormvast dan de eumelanine korrels. Een deel van het formatieproces van beide melaninen gaat gelijk op. Maar er is een belangrijk verschil. Bij de pigmentsynthese van phaeomelanine speelt het aminozuur cysteïne ook een rol. De phaeomelanine formatie is veel minder afhankelijk van tyrosinase. Alleen het eumelanine valt volledig weg.

Bij de kanarie spelen beide melanine pigmenten een rol. Een contourveer van de groene kanarie heeft roodbruin phaeomelanine aan de randen en zwart eumelanine in de kern van de veer. Het oog en de donsveren bevatten slechts eumelanine. Dit bepaalt het effect. Mutavi vond dat de phaeomelanine formatie minder afhankelijk is van tyrosinase dan de eumelanine formatie. Terwijl het zwarte eumelanine pigment ontbreekt is het roodbruine pigment slechts wat opgebleekt. Er ontstaat een licht verenpak met een licht roodbruine tekening. De ogen zijn rood, het dons is wit De kleurvariëteit wordt phaeo genoemd.

Conclusie: De naam van deze mutatiefactor is gebaseerd op de resultaten van onderzoek. Als de naam van de factor wordt toegevoegd aan de binominale naam is een complete identificatie mogelijk. Door de naam van de soort is het bezit aan kleurfactoren bekend. Door de naam van de mutatie factor is de verandering van een van de kleur-factoren bekend Door de naam van de mutatie factor toe te voegen ontstaat een trinominale wetenschappelijke naam.

Deze aanpak van naamgeving is te vergelijken met de wetenschappelijke naamgeving van vogelsoorten. In het begin was de binominale naamgeving gebaseerd op karakteristieken zoals vorm, formaat, structuur en kleur van de vogel. Recent kwamen biochemische technieken beschikbaar voor de analyse van proteinen, die specifiek zijn voor vogel-soorten.

Wetenschappelijke aanpak voor naamgeving van mutatie factoren

Er zijn twee wetenschappelijke methoden. In de eerste methode wordt de naam afgeleid van de nieuwe kleurvariëteit. Deze methode wordt gebruikt als het gen uitsluitend bekend is via het mutante phenotype en niet op basis van een veranderd gen of verandering van het formatieproces. De tweede methode is het gen te noemen naar de functie of het karakter van een gen.

De eerste methode werd gebruikt door T.G.Taylor en C.Warner: "Genetics for Budgerigar breeders" (1961). Citaat:" Een apart gen krijgt meestal de naam, die het belangrijkste effect omschrijft" (pg.18) Desondanks neemt hij de het systeem van namen van Crew volledig over. Deze zijn volledig gebaseerd op de naam van de kleurvariëteit. In de aanpak van Taylor krijgt de mutatie factor feitelijk dezelfde kleurnaam als het nieuwe phenotype. In dit boek wordt de naamgeving beperkt tot een vogelsoort, de grasparkiet.

Naamgeving van variëteiten in verschillende vogelsoorten: De werkwijze van Taylor werd ook toegepast bij andere parkietensoorten. Het logische gevolg was dat er ook andere kleurnamen naar voren kwamen. Soms verschillende namen voor dezelfde mutatie factors. Gebruik van kleurnamen is funest gebleken voor de naamgeving van parallel mutaties. Wetenschappelijk gezien moet dezelfde mutatiefactor moet dezelfde wetenschappelijke naam krijgen. Omdat vogelsoorten -per definitie- een uniek genen pakket hebben was het niet te vermijden dat dezelfde mutatiefactor niet in elke vogelsoort dezelfde naam kreeg.

Het model: Als deze methode wordt gebruikt voor parallel mutaties in verschillende vogelsoorten, dan worden we geconfronteerd met de verschillen in genetische make-up. We moeten ons afvragen of een vogelsoort gebruikt kan worden als een model en de namen van variëteiten van deze soort toegepast kunnen worden op vogelsoorten met andere kleurelementen. Elk model accemtueert bepaalde aspecten uit de realiteit en reduceert andere aspecten. Voorbeelden van reductie:De grasparkiet heeft alleen geel pigment, geen rood pigment, zoals de Rose kakatoe. Het gevolg kan zijn dat er te weinig aandacht is voor rood pigment formatie. Tot dusver is er ook geen onderzoek gedaan naar volledige omslag van geel pigment naar rood pigment, zonder selectie door de kweker, zoals bij de pastel Bourke's parkiet. De grasparkiet heeft zwart melanine. De Bourke heeft bruin eumelanine. Dit wordt over het hoofd gezien bij de verandering van zwart naar bruin in diverse parkieten soorten. Ook bij de Bourke zou het om een cinnamon "mutatie" gaan. Voorbeeld van accentuering: De grasparkiet heeft veren van het structurele type. Als dit kleurelement, de blauwstructuur ontbreekt, zoals bij de valkparkiet, kan dit bij de naamgeving over het hoofd worden gezien en wordt er over blauw "mutatie" gesproken. Ook hier schiet het model te kort.

Keuzen: Ik koos ervoor de mutatiefactor te gebruiken als identificatie van de variëteit. Ik koos voor de methode waarbij de naam van de mutatiefactor wordt afgeleid van de verandering van functie van het gen. Hierbij worden namen van mutatie factoren gebaseerd op uitkomsten van research. Informatie kan worden gevonden in wetenschappelijke publicaties. Meestal worden research papers in het Engels gepubli-ceerd. Dit vereenvoudigt de internationale communicatie.

Dit lijkt een goede oplossing van de problemen die het gebruik van kleurnamen voor mutatiefactoren met zich meebrengt. Naamgeving van genetische factoren gebaseerd op gewone, lokale kleur namen heeft grote bezwaren. Dit probleem van kleurnamen is specifiek voor de naamgeving van varieteiten van vogelsoorten. Bij dieren, planten, insecten en virussen speelt dit niet. Het belangrijkste probleem is dat kleurnamen niet geschikt zijn voor wetenschappelijke doelen, identificatie, classificatie, systematische naamgeving van parallel mutaties en internationale communicatie. Bij gebruik van kleurnamen worden alle problemen met kleurnamen geïntroduceerd in wetenschappelijke naamgeving.

De publicaties van Steiner hebben me gesterkt in mijn overtuiging dat de naam van de mutatie factor het best kan worden afgeleid van de verandering van de functie van het gen in pigment en structuur vorminngs processen. Door deze veranderde factor verandert een deel van het kleurformatie proces. Als de varieteit wordt geidentificeerd met behulp van de mutatiefactor, verwijst deze naam naar de verklaring van het ontstaan van de varieteit. Verscheidene research papers van de Mutavi groep, en andere publicaties hebben mijn veronderstelling bevestigd dat er voldoende kennis is van verandering van formatie processen om verklarende namen te vinden. Als we op deze wijze namen geven kan dit een geweldige stimulans zijn voor de verspreiding van weten-schappelijke kennis onder kwekers.

Samenvatting van de nieuwe aanpak van naamgeving

In deze website ontwikkelde ik de aanpak van een trinominaal systeem van naamgeving van variëteiten van vogelsoorten. De naamgeving is gebaseerd op de verandering in het genotype van de vogelsoort. De functie verandering van de mutatiefactor wordt getypeerd door twee symbolen. Het eerste letter symbool geeft de formatie van pigment of structuur aan. Bij parkietensoorten zijn dit melanine (M), psittacine (P) en veerstructuur (S). Het tweede symbool is de afkorting van de naam van dat onderdeel van het formatie proces, dat werd veranderd of gestoord. Bijv.: (M-d) distributie verandering vanhet melanine pigment. Deze naam wordt toegevoegd aan de binominale wetenschappelijke naam van de vogelsoort. Zo ontstaat een trinominale naam voor de variëteit. Deze naam kan worden gebruikt voor wetenschappelijke doelen: identificatie, classificatie en naamgeving van parallel mutaties. De naam is geschikt voor communicatie, nationaal en internationaal.

01. Identificatie. Een trinominale naam is een unieke naam voor de variëteit De weten-schappelijke naam van de vogelsoort wordt gevolgd door de naam van de veranderde factor. Deze naam verwijst naar de oorzaak van de kleurverandering van de variëteit en is gebaseerd op onderzoeksresultaten. Er is veel kennis van de formatie processen van melanine pigmenten en veerstructuur. In veel gevallen is de specifieke oorzaak bekend van de verstoring van het formatieproces. Ook is er veel bekend over carotenoïde pigmenten. Van de psittacine pigmenten is minder bekend. Maar hiervoor is een voorlopige oplossing. Als de exacte oorzaak nog niet is ontdekt kan de naam worden afgeleid van het effect van de verandering. Totaal verlies van pigment, enz. Dit systeem van naamgeving is geschikt voor identificatie van elke variëteit in elke vogelsoort, omdat elke variëteit slechts eenmaal in een vogelsoort voorkomt.

02. Classificatie. Dezelfde mutatie factor in verschillende vogelsoorten (bij parallel mutaties) krijgt dezelfde wetenschappelijke naam. Omdat de naam is afgeleid van de veranderde functie van een gen en niet van kleur van variëteiten is classificatie van de factoren mogelijk. Ik gebruikte het classificatiesysteem van Steiner als een basis.

03. Verklaring. De naam van de variëteit kan kort zijn. Vermelding van wijze van verervng, herkomst, en andere data kan achterwege blijven, omdat de naam verwijst naar onderzoeksresultaten en databanken. Op deze manier is verspreiding van kennis mogelijk onder kwekers met interesse voor kleurformatie processen en genetische achtergronden.

04. Internationale communicatie is gegarandeerd. De namen worden afgeleid van wetenschap-pelijk onderzoek. Research papers worden gepubliceerd in Engelse vaktaal. De aanvulling van de (Latijnse) wetenschappelijke naam voor de soort, gevolgd door de afkorting van de (Engelse) naam voor de variëteit bevordert de internationale communi-catie.

05. Kleurnamen worden niet uitgebannen. Net als in het binominaal systeem worden de gewone namen gebruikt naast de wetenschappelijke namen. Gewone namen spelen een heel belangrijke rol in communicatie in de moedertaal. Er is geen vertaalprobleem omdat de gewone naam niet langer dient als het enige identificatie middel. De moeder-taal blijft voorop staan bij communicatie in een land, regio of taalgebied. Kwekers worden niet gedwongen Engelse kleurnamen te gebruiken. Kwekers die het Engels niet beheersen worden niet buiten spel gezet. Alleen voor wetenschappelijke identificatie en classificatie wordt de afkorting van een vakterm in het Engels gebruikt.

06. Beperking van de naamgeving tot een bepaalde orde, (zoals Psitticaformes), is niet nodig. Deze naamgeving kan worden gebruikt voor naamgeving van variëteiten en mutatie factoren in alle vogelsoorten. Bij de introductie van varieteiten van andere vogelsoorten, die gebaseerd zijn op andere kleurbepalende genen, kan de mutatiefactor worden ingevoegd in de classificatie.

07. Nieuwe naaamgeving wordt gezien als innovatie proces. Deze werkwijze kan snelle adoptie bevorderen. Een kleurnaam is niet geschikt voor wetenschappelijke doelen als identificatie en classificatie. Deze kleurnamen worden niet uitgebannen, maar worden ge-waardeerd voor gebruik in een taalgebied. Ze zijn ook volledig te vergelijken met de gewone namen voor vogelsoorten. Implementatie is eenvoudig omdat het om toevoegingen gaat aan een bekend systeem. Het gebruik van verklarende namen bevordert de verdere dissiminatie van wetenschappelijke kennis. Hierdoor wordt een brug geslagen tussen de wetenschapper en de kweker.

08. Het gebruik van kleurnamen als wetenschappelijke namen voor mutatiefactoren levert vele practische nadelen op. Kleurnamen moeten worden gebruikt waarvoor ze zijn bedoeld, aanduiding van kleurverschillen anders krijgen we taalkundige problemen. Het voornaamste nadeel is echter is dat ze niet geschikt zijn voor wetenschappelijke doelen. Soorten van zoogdieren, insecten, planten en virussen hebben zelden een kleurnaam. Variëteiten worden vrijwel nooit onderscheiden op basis van kleurverschillen. Bij variëteiten van vogelsoorten is een kleurnaam eerder regel dan uitzondering. Dit levert een heel apart probleem op.

09. Condities: Voldoende inzicht in de veroorzakende factoren van kleur wijzigingen. Deze is vanzelfsprekend bepaald door de stand van het wetenschappelijk onderzoek. Persoonlijk denk ik dat hieraan is voldaan m.b.t. melanine pigmenten en structuur elementen. Nog onvoldoende is voldaan t.a.v. psiitacine pigmenten.Dit geldt niet voor het onderzoek naar carotenoïden.

10. Voorbeeld van een wetenschappelijke naam: Neopsephotus bourkii (M-d). Toelichting: M-d = "Melanin distribution factor". Er wordt een Engelse naam gebruikt omdat ook de wetenschappelijke rapporten, waarin het onderzoek is beschreven. Er behoeven geen bijzonderheden te worden toegevoegd, zoals geslachtsgebonden verer-ving, omdat de naam verwijst naar onderzoeks verslagen en databanken.De toevoeging (M-d) geeft de oorzaak aan. Veranderde afzetting van melanine is de oorzaak van de kleurverschillen met de wildkleur. Deze naam kan worden gebruikt voor alle wetenschappelijke doelen en voor internationale communicatie.

11. Voorbeeld: Gebruik van gewone kleurnamen in de praktijk. De naam 'Rose opaline' is een naam die ieder in het Nederlandse taalgebied kent. Het is varieteit van de Bourke, die nog steeds in de belangstelling staat. Het is absoluut een gewone naam. Zet deze voor of achter de gewone naam van de soort:Bourke dan weet ieder in Nederland waar hij het over heeft. Willen we precies weten welke kenmerken hij heeft dan raadplegen we de wetenschappelijke naam en de code (M-d) en dat is alles. Ik kan me zelfs indenken dat iemand in een advertentie aangeeft: Bourke, 'Rose opaline' (M-d) als de codes eenmaal zijn ingeburgerd. De lijst namen is niet te lang. Een dertig codes. Dit blijft te overzien. Er hoeven geen Engelse termen te worden ingevoerd ter vervanging van de kleurnamen.

In deze website wordt de methode gebruikt voor wetenschappelijke naamgeving van variëteiten op basis van een trinominaal systeem. De identiteit van de variëteit wordt gespecificeerd door de binominale naam van de soort, gevolgd door wetenschappelijke naam van de mutatie factor en vormt zo een trinominale naam. De wetenschappelijke naam van mutatie factor verwijst naar functie-verandering van een gen in een van de pigment of structuur formatie processen, niet naar de kleur. Deze naam maakt identificatie en classificatie mogelijk en kan worden gebruikt voor parallel mutaties. Deze aanpak is geschikt voor alle variëteiten van alle vogelsoorten, ongeacht het bezit aan kleurbepalende factoren.

Copyright 2005, Bob Fregeres

E-mail: fregeres@bourkes-parakeet.nl