Veren

- veergroei, baarden en baardjes, blauw structuur en psittacine pigmenten-

Veren zijn schitterende instrumenten. Ze hebben verschillende functies. Ze beschermen het lichaam tegen verwonding, regen en zon, ze helpen de optimale lichaamstemperatuur te handhaven, ook wanneer de buitentemperatuur veranderd. En ze maken het vliegen mogelijk. De kwaliteit van veren is erg belangrijk. Kwekers moeten de ontwikkeling van de veren van opgroeiende jongen goed in de gaten houden. Zij zijn verantwoordelijk voor de condities voor veer ontwikkeling, zoals juiste voeding, een schoon en goed geventileerd nest op een geschikte plaats. Over het ontwikkelingsproces van veren is veel te leren.

Veer groei

Veren groeien uit de huid. Vroeg, na zes dagen van ontwikkeling van het embryo, vormen zich veerzakjes (follikels), kleine instulpingen in de huid. Ze liggen in rijen geordend. Op de basis van een veerzakje vormt zich een heuveltje, in de vorm van een kegeltje, een kleine papil. Deze basis is erg belangrijk omdat hier wordt beslist welke soort veren zich daar zullen kunnen ontwikkelen. Dit is door experimenten bewezen. Bij transplantatie van een klein stukje huid van een wit kipkuiken, in de huid van kuikens van kippen met verschillende kleuren, werden in alle gevallen puur witte veren geproduceerd. Dit betekent dat erfelijkheid een dominante rol speelt in de controle van veer eigenschappen zoals vorm, functie en kleur. De plaats waar dit gebeurt is de veer follikel.

schets veer groei

Een globale tekening kan een indruk geven. Een deel van de huid is weergegeven met een follikel. Hieruit groeit een veer in de vorm van een kegeltje. Zo’n kegel heeft drie lagen:

1. Buitenste laag. Dit is een heel dun cellaagje. Als de veer is volgroeid is dit laagje verhoornd, het barst open en de veer ontplooit zich. Dit gebeurt in het nest, voor het uitvliegen. De staartveren groeien na het uitvliegen nog verder. Soms komt de veer niet geheel uit de buitenste laag en zien we dit in de staartveren.

2. Middelste laag. Deze is veel dikker. Hij begint als een soort ronde kraag op de bodem van het veerzakje. Hieruit groeien de veerschacht en de baarden. Uit die baarden groeien dan weer de baardjes en de haakjes. In deze kraag werken de productie cellen van het melanine.

3. Binnenste laag. In het midden van de papil liggen de bloedvaatjes, die de groeiende veer van voedsel en kleurpigment, rood en geel, voorzien. De bloedlichaampjes brengen de kleur pigmenten op het juiste moment, in de juiste hoeveelheid op de juiste plaats. Een wonder van coördinatie en timing van het productie en distributie proces. Deze kwetsbare laag wordt beschermd door een dunne cellaag.

4. Differentiatie zone. Er zijn grote verschillen van vorm en functie, kleur en kleur patroon van de veer. Het soort veer. dat zal uitgroeien, wordt bepaald in de differentiatie zone. Hier is de genetische code actief. Deze code is specifiek voor elke vogel soort en elke kleur variëteit. De zone ligt direct onder de kraag van waaruit de veer groeit.

Als de veer volgroeid is stopt het proces. De pulp uit de binnenlaag wordt in het bloed opgenomen en afgevoerd. Er is in elke veer een klein gaatje te zien, aan het begin van de schacht, dat eerder de toegang gaf aan de bloedvaten. Het begin van de schacht is hol en is niet gekleurd. Het bovendeel is van de schacht is donker gekleurd door het eumelanine. De schacht, de baarden en de baardjes worden hard, verhoornd materiaal, onder invloed van een eiwit, de keratine. Dit geeft de veer zijn stevigheid.
Daarna barst de buitenste laag. De veer ontrolt zich als een vlag. De veer krijgt nu zijn karakteristieke vorm. Vorm en kleur kunnen niet meer worden gewijzigd, maar zijn alleen onderhevig aan slijtage. De veerfollikel (het veerzakje) wordt inactief tot de tijd van de rui. De oude versleten veer wordt tijdens de rui afgestoten en een nieuwe veer ontwikkelt zich.


Veervelden

Uit elk veerzakje groeit een veer. De follikels zijn gegroepeerd in rijen. Veren, die uit de veerzakjes groeien zijn gegroepeerd in veervelden. Het is interessant de veergroei te volgen in het nest. Alle veren groeien in de richting van de staart.

veervelden

De grotere contour veren zijn de slagpennen in de vleugels en de staart. De kleinere in de buik, borst, en rug. De kleinere contourveren zijn dekveertjes. Ze beschermen het voorste deel van de schacht van de lange contour veren en liggen in rijen zoals dakpannen op het dak. Samen vormen ze de vorm van het verenpak


Veer

Deze foto toont een deel van een staartveer van de Bourke. 1.Een kleine opening. 2. Eerste holle deel van de veerschacht met een pluizig deel. 3. baarden 4. twee vlaggen een blauwe en een bruine vlag. 5. centrale veerschacht.

veer

Dit is een contour veer van de Bourke. Een vlag is blauw de ander is bruin. De veer bestaat uit een schacht met baarden, baardjes en haakjes. De baarden liggen parallel, baardjes en haakjes zorgen voor de buigzaamheid van de veer. De baardjes en haakjes zijn slechts met een microscoop te zien.


Baard en baardjes

In de tekening wordt de veerbouw weergegeven. De schacht (1), de aanhechting van de baarden (2), de baardjes (3) en de haakjes (4). Zo wordt een sterke en tevens flexibele structuur gevormd.

baarden en baardjes


De (micro) structuur van de baarden

De baarden van de veer hebben een bepaalde micro-structuur. De micro structuur is interessant omdat hij de veer sterk maakt. , maar ook omdat hij een bijdrage levert aan de kleur van de veer. In de eerste helft van de vorige eeuw is er veel onderzoek gedaan naar de microstructuur van veren, onder meer door Hans Steiner (1935), Zwitsers bioloog en vogel liefhebber. Hij maakte studie van buik-, rug- en stuitveertjes van volwassen grasparkieten in verschillende kleur varieteiten, groene, gele blauwe en olijf kleurige grasparkiet. Het is heel interessant het gedetailleerde verslag van deze onderzoeker te lezen.

Al in 1914 ontdekte men de wijze waarop de groene kleur van de grasparkiet tot stand komt. Een veertje werd geprepareerd met spirituslak of paraffine en werd in plakjes gesneden van drie duizendste millimeter dikte. Zo’n dwarsdoorsnede werd onder de elektronen microscoop bestudeerd en nagetekend of gefotografeerd. Dit fundamentele werk heeft ons veel geleerd over veerbouw en veerkleur. Steiner gebruikte deze methode om de grasparkiet te bestuderen. Dit fundamentele werk kan ons nog veel leren over de structuur van de baarden van verschillend gekleurde veren.

Beckmann, lid van de Technische Commissie van de Ned. Bond van Vogelliefhebbers, bestudeerde de veerstructuur van de Neophema's en de Bourke (1973). Hij maakte dwars doorsneden van de baarden. Hij onderscheidde twee verschillende typen baarden: baarden van het gewone type (baarden zonder een micro blauwstructuur) en baarden van het structurele type ( baarden met een micro blauw structuur). De meeste veren van de Bourke hebben baarden van het gewone type. Deze veren zijn bruin. Ik heb een aantal schetsen nagetekend omdat ze erg instructief zijn.

schets dwarsdoorsneden baard

Dwarsdoorneden van baarden

1. Een gewoon type baard, met een verminderde hoeveelheid eumelanine korrels. De baard is afkomstig van een licht bruine vleugel dekveer van een fallow Bourke.

2. Een gewoon type baard van een Bourke met een normale hoeveelheid melanine korrels. De baard is van een vleugel dekveer van een wildkleur Bourke. De concentratie van het bruine eumelanine is hoog.

3. Een structuur type baard met een spons zone maar zonder groepering van de melanine korrels. De sponszone is een keratine laag bestaande uit heel fijne gebogen buisjes. We zien dit in de tekening als fijne streepjes, van de schors in de richting van de midden cellen. Beckmann nam een vleugel dekveertje gelegen tussen de blauwe vleugelrand en het bruine vleugeldek. Dit veertje heeft een blauw en een bruin web. Dit is te zien als overgang tussen de blauwe en bruine veren. De dwarsdoorsnede is gemaakt van het bruine web van het dekveertje van een normale wildkleur Bourke.

4. Een structuur type baard met een spons zone en een groepering van de melanine korrels rond de vacuolen van de middencellen. Dit is een doorsnede van een blauwe baard van een veer van de wildkleur Bourke. Alleen dit deel van de veer met baarden met beide kenmerken: een sponszone, en een melanine laag, gegroepeerd in het midden, laat de blauwe kleur zien. De sponszone reflecteert alleen de licht van korte golflengte, zoals blauw of violet. De melanine laag absorbeert de lichtgolven van grotere golflengte.

Het is erg waardevol dat Beckmann zijn research reeds deed in 1972. In die tijd waren er slechts enkele mutaties van de eumelanine bekend zoals de "isabel", de fallow en de pastel. Nu is de zuivere wildkleur moeilijk te vinden.

Studie met behulp van de scan elektronen microscoop

Tegenwoordig is het mogelijk de structuur van de baarden te bestuderen met de scan. Deze nieuwste soort elektronen microscoop geeft een veel beter drie dimensionale. Een van de meest recente studies is het onderzoek van Jan Dyck. Hij kwam met een nieuwe verklaring van de blauw structuur. Tot dusver werd de blauwe kleur verklaard als verstrooiing van het licht dat werd teruggekaatst door een verticale buisjes structuur, kleine kanaaltjes binnen de baard kleiner dan de golflengte van rood licht, of minder dan 0,6 micron. De laag werd bewolkte zone genoemd omdat dit lijkt op de manier waarop het zonlicht wordt verstrooid door stofdeeltjes in de lucht en zo de oorzaak wordt van de blauwe lucht. Dit fenomeen werd Tyndall scattering genoemd. Dyck vond dat de structuur van deze laag veel complexer is. De scan toont een drie dimensionale structuur. Hij ontdekte kleine gebogen keratine cilindertjes, gevuld met lucht. Dit lijkt op een spons structuur. We noemen het nu spons zone. Deze spons zone breekt en weerkaatst het licht op zo'n manier dat sommige golflengten elkaar versterken en geïntensiveerd worden terwijl licht van uitdooft uitdoven omdat ze elkaar belemmeren (interferentie).


Andere structuren

Er zijn nog andere structuren in de vogelwereld bekend, die een blauwe kleur produceren. Duiven, en kraanvogels hebben een blauwgrijze kleur omdat de cortex van de baarden opgebouwd is uit kleine transparante laagjes. Dit vormt een soort bewolkte zone. Blauw wit of melkwit Met een donkere melanine erachter geeft het de karakteristiek blauwgrijze kleur van de duif. (Spöttel, 1914).

Een andere soort blauwstructuur vinden we bij de kanarie. Hier is het de karakteristieke vorm van de baarden die de blauwe kleur veroorzaken. Kop (1986) maakte dit zichtbaar met de elektronen microscoop. Hij verklaarde de terugkaatsing van het blauwe licht als Tyndall scattering. De meeste baarden bevatten mediale cellen gevuld met lucht. Maar er zijn ook plaatsen waar veel luchtbellen afwezig zijn. Hier zien we een massieve korrelige keratine structuur met enkele mergcellen. De korrels reflecteren het blauwe licht. Veren of delen van veren produceren dit soort blauwstructuur. De lengte van deze structuren bij de wilde kanarie is ca. 2,3 mm. De enkele blauwstructuur is 2 tot 4,5 mm. De dubbele blauwstructuur is 4,5 cm en meer. Door selectieve kweek kan de lengte toenemen tot 6,2 mm. Deze soort blauwstructuur is heel verschillend van de blauwstructuur van parkieten veren. De kleur is ook anders, leiblauw of staalblauw.


Pigmentatie

De Bourke's parkiet heeft twee soorten pigmenten: het bruine eumelanine en de rode en gele psittacine. We weten het meest over de formatie van het eumelanine. Het eumelanine wordt afgezet in de middelste laag van de papil en wordt via de uitlopers van de productiecellen in de baarden baardjes en in de veerschacht afgezet. Soms vinden we eumelanine in de schors (cortex). Dit wil ik bespreken in een volgende pagina.

Kleuren zijn genetisch vastgelegd voor elke vogel soort. De opname van elementen uit het voedsel, het transport naar de plaats waar de veer groeit (her veerzakje in de huid), de timing van de afzetting, worden beïnvloed door specifieke enzymen. Over dit proces is nog te weinig bekend.

Psittacine pigmenten van de wildkleur zijn het rode en gele psittacine. We vinden deze pigmenten uitsluitend in de cortex. De wildkleur Bourke's heeft wat kleur pigment in de kop en nek, de keel, de borst en de buik. Borst en buik zijn donker rose. De buik is helderder rood dan de borst. Kop en nek zijn rose bruin. Rose is een mix van rood en bruin pigment. De invloed van het bruine pigment is altijd zichtbaar. Onder invloed het eumelanine wordt het rood rose.

Invloed van domesticatie op de rode en gele kleur

Beckmann's bevinding was, dat in de oorspronkelijke wildkleur het rode pigment beperkt bleef tot de kop, de borst en de buik. Dit is ook zuiver functioneel. De wildkleur Bourke heeft bruine dekveertjes met een witte rand. Er werd geen rood of geel pigment gevonden in de vleugels, de rug en de staart. Maar hij vond ook dat in enkele gevallen dat deze pigment waren doorgedrongen in deze gebieden, waarschijnlijk onder invloed van domesticeren. De Bourke is een voliere vogel sinds de import in Europa in 1870. Door een domesticatie proces is het geel en rood pigment uitgebreid tot de gehele rugzijde. Dit is bij de wildkleur te zien in de randen van de vleugel dekveertjes. De belangrijkste invloed heeft gehad de kweek van enkele kleur variëteiten.

De eerste gele en rose kleur variëteiten

Omdat er zich in het verenpak van de wildkleur een grote hoeveelheid eumelanine aanwezig is, kunnen we alleen een goed beeld krijgen van het gele en rode pigment nadat vermindering van het eumelanine plaats vond door mutatie. Zoals bij de geel pastel en de rose opaline. Deze eerste eumelanine kwamen pas 70 jaar na de import. De pastel mutatie werd gekweekt door Van de Brink, in 1957. Hij noemde hem gele Bourke. Later werd de naam geel pastel geïntroduceerd. Deze mutatie factor geeft een reductie van het eumelanine in het gehele verenpak. Zo werden de psittacine pigmenten meer zichtbaar. De kweker vonden de gele kleur bijzonder. De gele kleur variëteit werd in Holland erg populair. Heel veel liefhebbers kweekten ermee. Ze selecteerden de meest gele vogels. Tegenwoordig is het geel zeer intensief en veel meer uitgebreid dan toen.

In 1972 verscheen de rose opaline. Rood pigment mixed met bruin geeft de rose kleur. De opaline toonde een vermindering van eumelanine in de rug, de vleugelveren, de kop en de staart. Deze reductie vond dus plaats in enkele veervelden, niet in het gehele verenpak. Het is een veerveld mutatie. In de opaline variëteit bleek selectie mogelijk. Uitbreiding van het rood pigment in de rug en de staart, de hoeveelheid pigment en de vermindering van het eumelanine waren de punten waarop werd geselecteerd. Niet alle eumelanine verdween. En nu, na dertig jaar kweken, is het rood meer intensief en het eumelanine ver verdwenen. Als we de huidige kweek resultaten vergelijken met vroeger wordt duidelijk dat domesticatie een grote invloed heeft gehad en dat alleen strenge selectie zulke prachtige resultaten heeft opgeleverd.

Vererving van psittacine pigmenten

Mijn overtuiging, die gebaseerd is op de praktijk, is dat de rood en geel pigment factoren (P-factoren) onafhankelijk vererven van de factoren die de melanine reduceren (M-factoren) in de rose opaline en de geel pastel.

Veel kwekers zijn gewend aan de combinatie: geel en pastel. Maar in de jaren zeventig waren er heel wat mooie rose pastellen (geen opaline!) Ze werden o.m. gekweekt door Besters. Men vond de gele variant echter aantrekkelijker. Maar de kleur variëteit is weer terug. De combinatie van rose opaline en geel pastel gaf niet alleen rose opaline-pastel (Lachs) maar ook rose pastel. Ik had enkele jaren geleden een combinatie van een mooi gekleurde opaline-pastel pop en een intensief gele pastel man, split voor opaline. Het resultaat was een rose pastel. Absoluut geen opaline-pastel. Ik controleerde alle mogelijke opaline kenmerken. Er was er geen te vinden. Een pop kan nooit split zijn voor opaline. Dit bewees de onafhankelijke vererving van de rood pigment factor van de opaline factor.

Hypo- en hyper functies van de psittacine genen

Wat is de verklaring van de uitbreiding en de versteking van de pigmenten in het verenpak? Steiner gebruikte hiervoor de termen hyper functie als de pigment formatie sterker is dan normaal en hypofunctie als deze minder is dan normaal. Bij de wildkleur is er een normale variatie te vinden in de hoeveelheid rood en geel pigment. De wildkleur die we in onze volieres vinden is niet meer origineel. We vinden wildkleur met rode randen en met gele randen aan de vleugel dekveren. Ik denk dat de Beckmann de juiste conclusie heeft getrokken, dat domesticatie de allerbelangrijkste oorzaak is. Het is goed dat hij de pigmenten van Bourke's en Neophema's al in 1972 bestudeerde, voordat de enorme ontwikkeling van kleur variëteiten op gang kwam.

Pigment type bij parkieten en papagaaien

De exacte chemische structuur van de rode en gele pigmenten is nog niet bekend. In het verleden noemde men ze carotenoïden. Maar onderzoek bewees dat ze niet tot deze groep kunnen behoren. De kweker weet dat het niet mogelijk is de kleur op te voeren door gebruik van het zgn."red-food" voor kanaries of voer dat caroteen bevat zoals wortelen. De kleur pigmenten van papagaaien en parkieten zijn een heel aparte soort is de mening van onderzoekers. Er is recent onderzoek gedaan in Italiïe (Prodi). Bij biochemische analyse van de veren van de rode ara. Door biochemische analyse van veren van de rode ara vonden ze vier nieuwe pigmenten, polyenals. Maar veel onderzoek moet nog worden gedaan. Voorlopig blijven we ze dus maar psittacine pigmenten noemen

index keuze menu

Copyright 2003 Bob Fregeres Alle rechten voorbehouden

E-mail: fregeres@bourkes-parakeet.nl

11/29/03