Rode opaline-pastel vergeleken met de rubino

Deze foto toont een rode opaline-pastel Bourke's pop (links) en een rubino Bourke's pop (rechts) die ik kweekte in 2005. Bij vergelijking blijkt dat het rood bij beide poppen even intensief is.

Bij de rubino is het bruine eumelanine in het verenpak, dat kenmerkend is voor de Bourke's parkiet, volledig weggevallen. Bij de opaline-pastel is het bruine melanine weggevallen in het grootste deel van het verenpak, borst en buik, kop en rugdek. In de vleugelveren is het melanine weggevallen m.u.v. de vleugelrand, in de staartveren m.u.v. de punt van de middelste staartpennen. In de vleugelrand vertoont de rubino een gele balk. In de vleugelrand vertoont de opaline-pastel een lichtbruine rand, waarbij de vleugeldekveren bleek geel omrand zijn. Het nog aanwezige bruine eumelanine is hier opgebleekt door de pastel factor. Bij de rubino zijn de blauwe accenten in kop, vleugel en staart geheel verdwenen. Bij de opaline-pastel op een lichte waas na in de vleugelbocht. De blauwstructuur in de kop, vleugelbocht, buitenste vleugelpennen en middelste staartveren kan niet tot expressie komen door ontbreken van het eumelanine.

Een rubino Bourke's is een buitengewoon mooie vogel. Het rode pigment overheerst. De buitenste vleugelveren zijn wit, evenals het grootste deel van de kop en de staart. Aan de witte vlekjes is te zien dat de donsveren wit zijn.

De rode opaline-pastel wedijvert in kleur met de rubino. Opvallend is de witte vlek in de buitenste vleugelveren bij de opaline-pastel. Deze witte driehoek wordt wel het voornaamste kenmerk van de opaline variëteit genoemd. Deze ontstaat door een brede ondervleugelstreep.

Beckmann schreef in 1972 dat het rode pigment in de oorspronkelijke wildkleur zich beperkt tot de borst, de buik en de kop. De buik vertoonde het meeste rood, de borst en kop veel minder.Na het ontstaan van de eerste mutatie van de Bourke, de geel-pastel, in 1957 is door selectie zijn de psittacine pigmenten doorgedrongen in de rug, stuit, staart en vleugels.

Er zijn kwekers en schrijvers, die de uitbreiding van psittacine pigmenten aan de opaline mutatiefactor toeschrijven. De opaline mutatiefactor is echter een melanine factor, geen psittacine factor.

Auber (1941) heeft dit zeeer nauwkeurig beschreven in zijn veeronderzoek bij de opaline grasparkiet. Hierbij komen twee veranderingen van de baarden naar voren . De cortex wordt aanzienlijk dunner en het melanine verdwijnt uit de cortex. Het melanine in de medulla (de kern) neemt hierbij toe. Hierdoor verdwijnt de zwarte tekening in de nek en de rug tussen de schouders( het zadel). Ook de Bourke heeft zo'n tekeningsstructuur. Er is een duidelijke golfjes tekening aanwezig op de borst, kop en nek en de dekveertjes van de vleugel. Ook bij de opaline Bourke verdwijnt een deel van de tekeningsstructuur.

Auber, beschreef dat het eumelanine pigment dat zich eerst in de cortex bevond, terug werd gevonden in de dicht opeenhoping van melanine rond de vacuolen (luchtbelletjes) in de kern van de baarden. Binnen de baarden ontstaat volgens Auber dus een andere verdeling van het eumelanine, waardoor ter plaatse de tekening van het verenpak verdwijnt. De mutatiefactor is volgens Auber een melanine distributie factor.

getekend naar Auber

Auber heeft laten zien dat deze distributie verandering van de cortex naar de veerkern bij de opaline zich alleen op microniveau afspeelt. Uitbreiding van dit begrip dat werd geïntroduceerd door Auber, tot een algemeen begrip van distributie van alle pigmenten en zelfs structuren is zeer verwarrend en wordt niet ondersteund door wetenschappelijk onderzoek. Het is ook onjuist. Het is bekend dat bontvorming kan optreden door een tekort aan melanine producerende cellen. Hierdoor blijven bepaalde veervelden, veren of delen van veren zonder melanine. Bij recessief bont is sprake van een veranderde distributie van melanine op macroniveau. Het begrip distributie van Auber bij de beschrijving van de opaline variëteit mag niet worden betrokken op de hyperfactie van psittacine formatie of de formatie van structurele factoren in bepaalde veervelden. Het gaat bij Auber om de verandering van de melanine distributie binnen de baarden van de veer.

Door selectie is langzamerhand tevens bij de opaline de hoeveelheid melanine in het gehele verenpak verminderd. Hoe meer melanine verdwijnt, hoe groter de mogelijkheid wordt voor uitbreiding van de psittacine pigmenten. Dit is ieder duidelijk, die de ontwikkeling van bijv. de opaline turquoisine en de opaline Bourke sinds 1968 resp.1972 hebben kunnen volgen.

Die uitbreiding van rood en geel pigment is niet exclusief voor de opaline varieteit. Bij alle mutaties, waarbij in bepaalde veervelden het melanine verdwijnt, door mutatie of door selectie, krijgen de psittacine kleuren, rood of geel of een combinatie hierdoor kans op uitbreiding door de plaats in the nemen van het melanine Dit geldt voor de opaline , maar ook voor de gezoomde, de ino en de recessief bonte variëteiten.

index menu

Copyright 2005 , Bob Fregeres

E-mail ades fregeres@bourkes-parakeet.nl

07-11-2005